Op 1 november 2020 is het eerste deel van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek in werking getreden. Dit eerste deel is het zogenaamde boek 8 omtrent het bewijsrecht. De ’nieuwe’ regels van het bewijsrecht zijn grotendeels een bevestiging van de heersende rechtspraak en hebben voornamelijk een betere leesbaarheid en een aanpassing van het bewijsrecht aan de huidige digitale wereld voor ogen. Niettemin zijn er enkele nieuwigheden, met name met betrekking tot het bewijs door en tegen ondernemingen.

De belangrijkste wijzigingen zijn de volgende: 

De bewijslast

Het bestaande adagium dat hij die beweert het bewijs voor zijn beweringen dient te leveren, blijft behouden. Nieuw is echter dat de wet nu, in lijn met de rechtspraak, uitdrukkelijk bepaalt dat elke partij moet meewerken aan de bewijsvoering. Hierbij is het aan de rechter toegelaten om in bijzondere gevallen en onder strikte voorwaarden de bewijslast om te keren. Indien de rechter oordeelt dat het, in de concrete omstandigheden van het geval, kennelijk onredelijk zou zijn dat een partij de bewijslast draagt, kan de rechter nu de bewijslast bij de andere partij leggen.

Bewijs door waarschijnlijkheid

Als algemeen beginsel geldt nog steeds dat bewijs een “redelijke mate van zekerheid” dient te hebben. Nieuw is echter dat de wet nu ook toelaat dat bewijs wordt geleverd met waarschijnlijkheid:

“[…]hij die de bewijslast draagt van een negatief feit, [kan] genoegen nemen met het aantonen van de waarschijnlijkheid van dat feit. Hetzelfde geldt voor positieve feiten waarvan het omwille van de aard zelf van het te bewijzen feit niet mogelijk of niet redelijk is om een zeker bewijs te verlangen.”

Deze bepalingen geven de rechter meer mogelijkheid om rekening te houden met de specifieke en soms moeilijke omstandigheden voor bewijsvoering.

Vrije bewijsvoering en bewijs door en tegen ondernemingen

Ook inzake de vrijheid van bewijsvoering is er evolutie. De vroegere drempel van €375 werd verhoogd naar €3.500 voor vorderingen tegen natuurlijke personen. Onder deze drempel is het bewijsrecht vrij, wat betekent dat er kan worden bewezen met alle middelen van het recht: getuigen, vermoedens, whatsappberichten, sms’en, e-mails, enzovoort kunnen allemaal worden aangebracht als bewijs. Boven deze drempel dient er een schriftelijk en getekend stuk voorhanden te zijn.

Voor geschillen tussen ondernemingen was het bewijsrecht reeds vrij sinds 2018[1]. Deze vrijheid van bewijs maakt het voor ondernemingen dus ook mogelijk om digitaal bewijs te leveren, zoals via e-mails, whatsapp-berichten of sms-berichten.

Bewijs tussen of tegen ondernemingen kan worden geleverd door middel van elk bewijsmiddel, behalve wanneer de wet anders bepaald. Het bewijsrecht maakt het nu ook wettelijk mogelijk om gebruik te maken van bewijs door middel van de boekhouding en aanvaarde facturen.

Boekhouding

Sinds de inwerkingtreding van het nieuwe bewijsrecht heeft de boekhouding van een onderneming wettelijke bewijswaarde (in plaats van vrije bewijswaarde). Hiervoor is het echter noodzakelijk dat de boekhouding als bewijs wordt aangevoerd door de onderneming die deze heeft opgesteld tegenover een andere onderneming en dat de boekhouding van beide ondernemingen elkaar niet tegenspreken. Als niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, heeft de boekhouding geen wettelijke bewijswaarde, maar alleen vrije bewijswaarde en komt het alsnog aan de rechter toe om de bewijswaarde van de boekhouding te bepalen.

De boekhouding moet in haar geheel beoordeeld worden. Deze kan alleen worden gesplitst als ze niet correct werd bijgehouden. De rechtbank kan ook de overlegging van de boekhouding bevelen. Dit kan op verzoek van een van de partijen of ambtshalve.

We merken hierbij op dat de wettelijke bewijswaarde enkel geldt tussen partijen en dus niet ten aanzien van derden zoals de fiscus!

Aanvaarde factuur

Een grote nieuwigheid in het nieuwe bewijsrecht betreft, tot slot, de wettelijke erkenning van de bewijskracht van een niet-betwiste factuur. Met de inwerkingtreding van het nieuwe bewijsrecht dient een factuur die binnen een redelijke termijn werd aanvaard of niet werd betwist, als (weerlegbaar) bewijs tegen een onderneming. Bij gebrek aan bewijs van het tegendeel is een door een onderneming aanvaarde factuur of het ontbreken van betwisting binnen een redelijke termijn het bewijs van de tegen de onderneming aangevoerde rechtshandeling.

Deze regel is van toepassing op alle types van overeenkomsten en niet enkel op een koop-verkoopovereenkomst. Het gebrek aan betwisting van een factuur door een persoon die geen onderneming is, kan niet worden beschouwd als een aanvaarding van de factuur, behalve wanneer deze afwezigheid van betwisting een zogenaamd omstandig stilzwijgen uitmaakt (dat niet anders kan worden uitgelegd dan als een aanvaarding).

De uitdrukkelijke of stilzwijgende aanvaarding van een factuur door een persoon die geen onderneming is, maakt een feitelijk vermoeden uit. In dat geval wordt de bewijskracht dus aan het oordeel van de rechter overgelaten.

 

[1] vroegere artikel 1348bis BW

Wenst u meer te weten hierover?

Onze juridische specialisten staan voor u klaar om u met raad en daad bij te staan bij de interpretatie van de nieuwe bewijsregels.