article banner
Direct tax

Het tax shelter-systeem (alweer) gewijzigd vanaf 1 augustus 2022

Michaël Schoonjans Michaël Schoonjans

Het tax shelter-systeem werd reeds sinds 2003 ingevoerd om ondernemingen de mogelijkheid te bieden om via investeringen de audiovisuele sector te ondersteunen. Het systeem werd doorheen de jaren aanzienlijk hervormd en uitgebreid tot podiumproducties in 2017 en recent nog voor videospellen.

Niettemin zien wij in de praktijk dat de huidige regelgeving nog veel ruimte laat voor interpretatie en nog steeds voor veel onduidelijkheden zorgt. De wetgever lijkt zich hiervan bewust en heeft afgelopen zomer een reparatiewetgeving uitgevaardigd om bepaalde aspecten van het systeem verder te verduidelijken[1]. Hieronder geven wij een beknopte omschrijving van de voornaamste wijzigingen die in de praktijk een impact gaan hebben op de productievennootschappen en/of de tax shelter-investeerders.

Belangrijkste wijzigingen aan het tax shelter-systeem

In aanmerking komende productievennootschap

Vanaf 1 augustus 2022 worden de activiteiten van de productievennootschap verder verstrengd en moet voortaan de productie en ontwikkeling van de kwalificerende werken niet alleen het voornaamste doel vormen, maar ook de 'kernactiviteit' van de productievennootschap uitmaken. Om de ‘kernactiviteit’ te beoordelen moet men kijken naar de interne jaarrekening van de vennootschap. Voortaan worden de activiteiten van de productievennootschap enkel als ‘kernactiviteit’ beschouwd, indien de opbrengst uit de productie en exploitatie van de audiovisuele werken, podiumproducties of videospellen minstens 50% van haar totale opbrengst uitmaakt. Indien deze 50%-drempel niet wordt gehaald, zal de productie van de kwalificerende werken als een bijkomende activiteit worden beschouwd die niet in aanmerking komt om via tax shelter gefinancierd te worden. Deze beoordeling is een feitenkwestie en kan weerlegd worden indien de betrokken vennootschap kan aantonen dat haar kosten voornamelijk betrekking hebben op de productie en exploitatie van erkende werken (en dat de andere activiteiten (desondanks hun hogere opbrengst) slechts een beperkt aandeel in de kosten van de vennootschap vertegenwoordigen).

Producties mogen geen reclamedoeleinden nastreven

Voor audiovisuele werken wordt voortaan gestipuleerd dat deze niet als een “in aanmerking komend werk” worden beschouwd, indien deze reclamedoeleinden nastreeft. Hierbij denken wij bijvoorbeeld een reclamespots op TV of bedrijfsfilms die niet aan het brede publiek worden getoond.

Ook voor podiumproducties wordt voortaan gesteld dat producties op zichzelf moeten staan en dat zij niet tot (hoofd)doel mogen hebben om reclame te maken voor of het bevorderen van bepaalde andere goederen of diensten[2]. Hierbij worden . onder andere zogenaamde ‘dinershows’ geviseerd, waarbij men eigenlijk betaalt voor het diner en dat de bijhorende opvoering hierbij bijkomstig is (denk bijvoorbeeld hierbij aan de bekende voorstellingen in de Parijse Moulin Rouge).

Productie-uitgaven gelinkt aan de ‘try-out’ voor podiumwerken

In de praktijk was het voor podiumproducties niet altijd duidelijk welke opvoering precies als een ‘try-out’-voorstelling in aanmerking zou komen en welke als de eigenlijke ‘première’. Door de wetswijziging[3] werd een definitie voor een ’try-out’ ingevoerd. Er zijn zodoende twee belangrijke factoren die zullen bepalen of een voorstelling als een ’try-out’ kan beschouwd worden:   

  • een try-out is een proefvoorstelling van de podiumproductie bedoeld om de reactie van het publiek te peilen en eventueel alsnog wijzigingen in het stuk aan te brengen
  • de toegangsprijs die wordt aangerekend aan het publiek, ligt beduidend lager dan de toegangsprijs voor de première en de daaropvolgende voorstellingen.

Verder werd er ook een maximale termijn van twee maanden ingevoerd die tussen het moment van een ’try-out’ en ‘première’ mag verlopen. Bijgevolg, indien er meer dan twee maanden tussen beide voorstellingen zou verlopen, dan wordt de eerste voorstelling die plaatsvindt vanaf de twee maanden na de eerste ‘try-out’ automatisch als de ‘première’ beschouwd. Vanaf dat ogenblik zal de relevante termijn van één maand voor het maken van de productie- en exploitatie-uitgaven lopen.

In aanmerking komende uitgaven

De reparatiewet heeft bepaalde verduidelijkingen gebracht aan wat als een in aanmerking komende productie- en exploitatie-uitgave’ kan beschouwd worden, aangezien deze kwalificatie in de praktijk zeer belangrijk is (gelet op het feit dat onvoldoende kwalificerende uitgaven kan leiden tot het niet (volledig) afleveren van het finaal tax shelter-attest).

  • Hergebruik van decors, rekwisieten, kostuums en attributen

Verder wordt ook wettelijk bevestigd dat de uitgaven met betrekking tot de recyclage van onder andere decors, rekwisieten, kostuums en attributen ook als directe productiekosten worden beschouwd[4], zodat het hergebruik van deze goederen wordt aangemoedigd.

  • Vergoedingen betaald of toegekend aan executive producers, co-producers, associate of andere producers

De regel dat de vergoedingen betaald aan executive producers, co-producers, associate of andere producers onrechtstreekse productie-uitgaven uitmaken[5], voor zover deze niet meer bedragen dan 18% van de Belgische productie- en exploitatie-uitgaven, werd verder verfijnd[6]. Voortaan, indien alle activiteiten van deze producers gepresteerd zijn door de productievennootschap zelf (lees: productievennootschap zorgt via eigen personeel voor bijvoorbeeld de ontwikkeling van het werk, zoeken naar tax shelter-investeerders, enzovoort), dan mogen deze vergoedingen niet meer bedragen dan maximaal 10% van de Belgische (in aanmerking komende) rechtstreekse productie- en exploitatie-uitgaven.[7] Het deel van de vergoedingen dat de 10%-grens zou overschrijden, wordt dan beschouwd als een niet kwalificerende uitgave en wordt volledig buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de fiscale waarde van het tax shelter-attest. De invoering van deze grens is er gekomen omdat bleek dat producenten binnen de audiovisuele sector vaak op (discretionaire) forfaitaire wijze de vergoeding voor de door hen geleverde prestaties berekenen.

Indien daarentegen alle activiteiten van de voormelde producers door externe partijen worden geleverd, dan zullen de toegekende of betaalde vergoedingen aan de betrokken producers (mits die verband houden met werkelijke prestaties) als indirecte productie-uitgaven in aanmerking komen, aangezien deze vergoedingen geacht worden marktconform te zijn. Bijgevolg, geldt de forfaitaire begrenzing van 10% hier niet.

Snellere indiening van de tax shelter-dossiers

In de praktijk hebben wij gezien dat productievennootschappen niet altijd het aanvraagdossier voor het bekomen van het fiscaal eindattest indienen van zodra de productie is afgerond. Dit komt doordat zij wettelijk de mogelijkheid hadden om hiermee te wachten, aangezien ze er enkel moesten op letten dat het eindattest vóór 31 december van het vierde jaar na het jaar waarin de raamovereenkomst werd ondertekend, werd afgeleverd[8]. De wetgever heeft hieraan een einde willen stellen door te bepalen dat de producenten verplicht zijn om het aanvraagdossier binnen de 9 maanden na de voltooiing van het erkende werk in te dienen[9]. Deze verplichting zorgt ervoor dat de tax shelter-investeerders sneller hun definitieve vrijstelling kunnen bekomen.

Tax shelter voor videospellen

Momenteel is het tax shelter-systeem voor videospellen verankerd in het wetboek[10], met een geplande inwerkingtreding vanaf 1 januari 2023.

De inwerkingtreding van het tax shelter-systeem voor videospellen was afhankelijk van de voorafgaande goedkeuring door de Europese Commissie en de Belgische Gemeenschappen. Op 25 juli 2022 werd door de Europese Commissie het groen licht gegeven dat de uitbreiding van het tax shelter-systeem naar games geen verboden staatssteun uitmaakt.

Momenteel is het enkel nog wachten op de goedkeuring door de Belgische Gemeenschappen die moeten beoordelen of videospellen de zogenaamde ’culturele test’ doorstaan.

Het blijft daarom nog afwachten of producenten van videospellen vanaf 1 januari 2023 tax shelter-fondsen gaan kunnen ophalen. Echter, heeft de wet van 5 juli 2022 de inwerkingtreding van dit systeem slechts afhankelijk gesteld van de aanname van een culturele test door alle gemeenschappen tot aan 1 januari 2023. Bijgevolg volstaat het vanaf die datum dat één van de Gemeenschappen een culturele test aanneemt opdat het regime er van toepassing zou zijn.

Conclusie

De recente reparatiewetgeving biedt bijkomende verduidelijkingen aan bepaalde begrippen en de werking van het tax shelter-systeem. Echter, dienen wij in de praktijk vast te stellen dat het recent gewijzigde tax shelter-systeem nog altijd bepaalde problemen oplevert (bijvoorbeeld op vlak van de manier om de tax shelter-investering te berekenen, de boekhoudkundige en fiscale verwerking ervan,  enzovoort). Daarom lijkt het ons niet uitgesloten dat het tax shelter-systeem in de komende jaren verder gewijzigd en vereenvoudigd zou worden.

 

 

[1] Wet van 5 juli houdende diverse fiscale bepalingen, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 juli 2022

[2] nieuw artikel 194ter/1 § 2, 2° WIB 92

[3] artikel 194ter/1, §2, 5° WIB92 werd

[4] artikel 194ter, §1, lid 1, 8°, 5de streepje WIB92

[5] In tegenstelling tot de vergoedingen van de productie-manager, de postproductiecoördinator en de line producer, die directe productie-uitgaven zijn.

[6] Wet van 5 juli 2022

[7] artikel 194ter § 1, 9° lid 2 WIB92

[8] artikel 194ter, §5 WIB92

[9] aangevuld artikel 194ter § 7 lid 1, 2° WIB92

[10] artikel 194ter/3 WIB92