Graag bespreken we kort het onderscheid tussen beiden en herhalen we een aantal basisprincipes inzake de fiscale aftrekbaarheid met het oog op de eindejaarsafsluiting.

Kost versus voorziening

Er bestaat soms verwarring over het verschil tussen een kost en een voorziening. Van zodra een kost ‘zeker en vaststaand’ is, moet deze als kost worden opgenomen in de resultatenrekening. Indien echter het bedrag van de kost nog niet vaststaat, maar het wel waarschijnlijk of zeker is dat de kost zal komen, kan (voorlopig) een voorziening worden aangelegd. Op die manier kunnen kosten – die hun oorzaak vinden in de jaren voordat de kosten effectief opgelopen worden – afgetrokken worden vóór het jaar van effectieve betaling.

Voorziening voor risico’s of kosten

Voorzieningen zijn slechts aftrekbaar mits ze worden geboekt om het hoofd te bieden aan ‘scherp omschreven verliezen of kosten, die volgens de aan de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk zijn’. Voorzieningen voor een algemeen en hypothetisch risico zijn dus niet aftrekbaar.

Vanaf 1 januari 2018 werd binnen de vennootschapsbelasting een bijkomende voorwaarde toegevoegd. Een voorziening moet voortaan dienen om de kosten te dekken van een op balansdatum bestaande contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting. Als gevolg van deze verstrenging, is het bijvoorbeeld niet meer mogelijk om voorzieningen voor herstellingen en groot onderhoud af te trekken. Voorzieningen voor bijvoorbeeld contractuele garantieverplichtingen of ontslaguitkeringen zijn wel nog steeds aftrekbaar.

Vooruitbetaalde kosten

Het boekhoudkundig ‘matching’-principe linkt kosten aan het jaar waarop ze betrekking hebben. Kosten die vooruitbetaald worden moeten aan het juiste boekjaar worden toegewezen via overlopende rekeningen. We denken hierbij aan vooruitbetaalde huur, verzekeringspremies of abonnementen die een periode dekken die het boekjaar overschrijdt.

Op basis van de letterlijke lezing van artikel 49 WIB ’92, waren kosten die u in een boekjaar betaalt onmiddellijk aftrekbaar (zelfs al hadden ze betrekking op een toekomstig tijdperk). Vanaf 2018 is dit binnen de vennootschapsbelasting niet meer mogelijk en geldt ook fiscaal dat kosten verbonden aan activiteiten of inkomsten van een volgend boekjaar slechts aftrekbaar zijn in dat volgend boekjaar.