Covid-19

Nieuwe fiscale maatregelen in aantocht - een update

Frederik De Graeve Frederik De Graeve

Bij de start van de Covid-19 crisis hebben de federale en regionale regeringen meteen enkele fiscale (en andere) maatregelen ingevoerd. Deze waren in eerste instantie voornamelijk gericht op het helpen voorkomen van liquiditeitsproblemen bij ondernemingen en zelfstandigen.

Op langere termijn is het niet alleen (de nood aan) cash die kopzorgen veroorzaakt. De impact van de huidige crisis gaat veel verder en het is duidelijk dat het enkele jaren zal kunnen duren voor de aangerichte economische schade zal zijn verwerkt.

De federale regering heeft in die optiek twee interessante fiscale ondersteuningsmaatregelen ontworpen: een “carry back” van fiscale verliezen en de aanleg van een “wederopbouwreserve”. De “carry-back” is opgenomen in een wet van 23 juni 2020. Voor de “wederopbouwreserve” gaat het nog slechts over (ontwerp)wetteksten.

“Carry back” van fiscale verliezen

Om te verhinderen dat een onderneming met een verwacht fiscaal verlies over (bijvoorbeeld) boekjaar 2020 wordt geconfronteerd met een belastingschuld over boekjaar 2019, zal men ten belope van het verwachte fiscale verlies over 2020 uitzonderlijk een belastingvrije “Covid-19 reserve” kunnen aanleggen ten laste van het fiscaal resultaat van boekjaar 2019. Inzake vennootschappen gaat het om boekjaren afgesloten tussen 13 maart 2019 en 31 december 2020 waarin het te verwachten fiscale verlies van het daaropvolgende boekjaar ten laste kan genomen worden. Het resultaat is (de facto) een “achterwaartse” verliescompensatie of “carry back” van fiscale verliezen. Het systeem is toepasbaar voor zowel zelfstandigen / eenmanszaken (Personenbelasting) als voor vennootschappen (Vennootschapsbelasting).

De aanleg van de reserve zal gebeuren via een formulier 275 COV bij de fiscale aangifte die zal worden ingediend over het boekjaar afgesloten tussen 13 maart 2019 en 31 december 2020 (vennootschapsbelasting)/ inkomstenjaar 2019 (personenbelasting). Indien de belastingaangifte (van het boekjaar waarvan het belastbaat resultaat verminderd wordt) reeds werd ingediend (bijv. boekjaren afgesloten vroeger dan 31 december 2019) moet eveneens een formulier 275 COV worden ingediend. In dat geval is de indieningsdatum uiterlijk 30 november 2020.

De reserve moet boekhoudkundig niet worden uitgedrukt en moet dus ook niet (in het geval van vennootschappen) in de jaarrekening worden opgenomen.

De “Covid-19 reserve” zal in mindering komen van het belastbaar resultaat van boekjaar / inkomstenjaar 2019 en zal het jaar nadien worden aangewend om het fiscale verlies in dat boekjaar (afgesloten tussen 13 maart 2020 en 31 december 2021) op te vangen. Het concrete gevolg is dus dat de resultaten over 2 jaren (meestal 2019 en 2020) worden gecombineerd en dat de globale belastingdruk (over deze 2 jaren bekeken) daalt.

De “Covid-19 reserve” kan niet hoger liggen dan het belastbaar resultaat over het boekjaar afgesloten tussen 13 maart 2019 en 31 december 2020  (voor vennootschappen o.m. bepaald na toepassing van de DBI-aftrek) en met een maximum van 20.000 KEUR. Ze zal zo nauw mogelijk moeten aansluiten bij het (later te bepalen) verlies van het daaropvolgende boekjaar. Een afwijking van maximaal 10% wordt daarbij getolereerd en resulteert niet in een bijkomende belastingheffing. Mocht het fiscaal verlies van het daaropvolgende boekjaar uiteindelijk lager blijken dan 90% van de “Covid-19 reserve” (en dus een afwijking vertonen die groter is dan de tolerantie van 10%), zal in dat jaar alsnog een deel van de aangelegde reserve belast worden (tegen de tarieven van het vorige jaar en inclusief toepassing van een strafrente).

Als gevolg van de “Covid-19 reserve” zal men dus de belastingschuld over het boekjaar afgesloten tussen 13 maart 2019 en 31 december 2020  kunnen vermijden of beperken, waarbij reeds gedane voorafbetalingen door de belastingadministratie zullen worden terugbetaald.

Hoewel we nog niet de exacte interpretatie door de belastingadministratie van de regels kennen, doen we hierna toch een poging om de bovenstaande principes toe te passen in een praktisch voorbeeld (onder voorbehoud):

Situatie per 31/12/2019:

Boekhoudkundige winst boekjaar 2019 950 KEUR / voorafbetalingen gedaan voor 295 KEUR

Situatie per 29/10/2020 (deadline indiening aangifte vennootschapsbelasting aanslagjaar 2020):

Belastbaar resultaat boekjaar 2019 (aanslagjaar 2020): 1,000 KEUR / verschuldigde vennootschapsbelasting 295 KEUR

Prognose lopende boekjaar 2020: fiscaal verlies van 1,000 KEUR

De vennootschap opteert om “Covid-19 reserve” aan te leggen in aangifte vennootschapsbelasting boekjaar 2019 (aanslagjaar 2020) t.b.v. 1,000 KEUR, met als gevolg:

- Belastbaar resultaat boekjaar 2019 (aanslagjaar 2020) volledig gereduceerd tot 0 EUR

- Geen vennootschapsbelasting verschuldigd

- Volledige terugbetaling van 295 KEUR gedane voorafbetalingen

Situatie per 31 december 2020 (definitief vast te stellen bij indiening aangifte vennootschapsbelasting aanslagjaar 2021):

Scenario 1: het fiscaal verlies over boekjaar 2020 bedraagt 1,000 KEUR. Dit verlies wordt aangezuiverd via aanwending van de “Covid-19 reserve”. Geen verdere over te dragen fiscale verliezen.

Scenario 2: het fiscaal verlies over boekjaar 2020 bedraagt 1,200 KEUR. Dit verlies wordt ten belope van 1,000 KEUR aangezuiverd via aanwending van de “Covid-19 reserve”. Saldo van 200 KEUR wordt toegevoegd aan de over te dragen fiscale verliezen.

Scenario 3: het fiscaal verlies over boekjaar 2020 bedraagt 650 KEUR. Dit verlies wordt aangezuiverd via aanwending van de “Covid-19 reserve”. Het saldo van de “Covid-19 reserve” van 350 KEUR wordt onmiddellijk belastbaar (tegen de tarieven van 2019 en met een bijkomende fiscale sanctie)

Uiteraard zijn er enkele voorwaarden verbonden aan de toepassing van deze “carry back” regeling. Vennootschappen die tussen 12 maart 2020 en de datum van indiening van hun aangifte over aanslagjaar 2021 (dus wellicht september-oktober 2021) dividenden uitkeren, eigen aandelen inkopen en / of overgaan tot kapitaalvermindering, zijn van de maatregel uitgesloten. Bovendien is er een uitsluiting voor ondernemingen die transacties doen met “belastingparadijzen” zonder aantoonbare werkelijke economische activiteit of die een deelneming hebben in een vennootschap gevestigd in een belastingparadijs.

Wederopbouwreserve

Indien het eigen vermogen en de solvabiliteit van vennootschappen ten gevolge van verliezen in 2020 wordt aangetast , dan zou de opbouw van een belastingvrije “Wederopbouwreserve” gedurende de periode 2021-2023 hen toelaten hun boekhoudkundig eigen vermogen weer op het niveau van einde 2019 te brengen.

Het bedrag van die wederopbouwreserve zal maximaal gelijk zijn aan het bedrijfsverlies van 2020, met een maximum van 20,000.KEUR.

De aanleg van de reserve zal gespreid kunnen gebeuren over de jaren 2021-2023 en zal de aard hebben van een tijdelijk belastingvrije reserve die onderworpen is aan de bekende “onaantastbaarheidsvoorwaarde”.

In tegenstelling tot de “Covid-19 reserve” zal het hier dus wel degelijk gaan over een reserve die boekhoudkundig tot uitdrukking wordt gebracht. De wederopbouwreserve zal het belastbaar resultaat verminderen in de boekjaren van aanleg.

Uiteraard zullen een aantal voorwaarden gekoppeld worden aan de blijvende belastingvrijstelling van de wederopbouwreserve. In een aantal situaties wordt de reserve onmiddellijk belastbaar, al dan niet tegen een verhoogd tarief:

  • In geval van dividenduitkering, inkoop eigen aandelen of kapitaalvermindering vanaf 12 maart 2020.
  • Voor ondernemingen die transacties doen naar “belastingparadijzen” zonder aantoonbare werkelijke economische activiteit of die een deelneming hebben in een vennootschap gevestigd in een belastingparadijs.
  • In geval van daling van de kosten van bezoldigingen en rechtstreekse sociale voordelen van meer dan 15% in vergelijking met 2019. De beoordeling daarvan dienst jaarlijks te gebeuren.