Direct Tax

De saga van de minimumbezoldiging - "to pay or not to pay"

Frederik De Graeve Frederik De Graeve

Principes

In een eerdere blog lichtten we reeds toe dat vennootschappen die minder dan €45.000 bezoldiging betalen aan een bedrijfsleider-natuurlijke persoon, voortaan onderworpen zijn aan een afzonderlijke (aftrekbare) belasting van 5,1% (aanslagjaar 2019-2020) of 10% (vanaf aanslagjaar 2021) over het te weinig uitgekeerde bedrag (behoudens lager belastbaar resultaat).

Aangezien de tekst van het nieuw wetsartikel niet geheel duidelijk is, doken al snel allerhande theorieën op. Zo bijvoorbeeld als zou de sanctie niet van toepassing zijn indien er geen bedrijfsleiders-natuurlijke personen zijn.

Ondertussen werd een en ander verduidelijkt, maar werd ook al reparatiewetgeving voorgesteld. De wetgever wenst immers reeds 2 aanpassingen door te voeren:

  • afschaffing van de stijging naar 10% met ingang van 2020 (de aanvullende aanslag zou dus beperkt blijven tot 5 / 5,1%)
  • bevestiging dat de aanslag altijd van toepassing is als er geen bedrijfsleiders-natuurlijke personen zijn.

Verder bevestigde de Minister reeds dat de minimumbezoldiging moet worden bepaald aan de hand van het belastbare resultaat vóór aftrek van de bezoldiging. Indien het belastbare resultaat vóór aftrek van de bezoldiging €90.000 of meer bedraagt, moet er een minimumbezoldiging van €45.000 worden uitgekeerd. Als het belastbare resultaat vóór aftrek van het loon minder dan €90.000 bedraagt, moet het minimumloon minstens 50% van het belastbare resultaat vóór aftrek van het loon bedragen. Het uitbetaalde loon is dus gelijk aan het belastbare resultaat ná aftrek van het loon.

Met andere woorden: indien er een belastbaar resultaat is van €40.000 ná aftrek van een bezoldiging van €10.000, dan voldoet de vennootschap niet aan de voorwaarde. De bezoldiging had immers (minstens) €25.000 moeten zijn (i.e. de helft van het resultaat voor de bezoldiging). De bijzondere aanslag zal dan ook geheven worden op €15.000 en de vennootschap verliest het recht op het verlaagd tarief.

Verhogen bezoldiging?

De vraag rijst nu of het al dan niet zinvol is om de bezoldigingspolitiek aan te passen en bijvoorbeeld het huidige loon van €36.000 te verhogen naar €45.000? Stel dat een vennootschap voor aanslagjaar 2018 een bezoldiging betaalt van €36.000 en een belastbaar resultaat heeft van €100.000 (ná bezoldiging). De verschuldigde belasting bedraagt dan €30.450 (verlaagd tarief). De bedrijfsleider (stel alleenstaand, geen kinderen ten laste en abstractie van enige aftrekken/verminderingen) betaalt (circa) €6.000 sociale bijdragen en (circa) €9.000 personenbelasting.

Voor aanslagjaar 2019 bedraagt de belasting (bij ongewijzigde bezoldiging) €29.903 na toevoeging van de aftrekbare belasting van 5,1% op €9.000. Indien de bezoldiging verhoogd wordt tot €45.000, bedraagt het belastbaar resultaat €91.000 en de verschuldigde belasting (verlaagd tarief) €18.564.

Maar wat betekent dit voor de bedrijfsleider? De sociale bijdragen stijgen tot (circa) €7.500 en de personenbelasting tot (circa) €12.600.

In dit geval overstijgt de besparing van de vennootschap (€11.339) dus de meerkost van de bedrijfsleider (€5.100). De concrete uitkomst zal echter steeds afhankelijk zijn van de onderliggende feiten.

Verbonden vennootschappen

Indien minstens de helft van de bedrijfsleiders dezelfde personen zijn, kunnen verbonden vennootschappen de afzonderlijke aanslag vermijden door gezamenlijk aan een gemeenschappelijke bedrijfsleider een bezoldiging van €75.000 te betalen. Zoniet betaalt (enkel) de groepsvennootschap met het hoogste belastbaar resultaat de afzonderlijke aanslag.

Hierbij rijzen diverse praktische vragen. Dient enkel rekening te worden gehouden met bedrijfsleiders-natuurlijke personen? Wat bij afwijkende boekjaren? En wat met bezoldigingen in een verbonden buitenlandse vennootschap? ...

In een volgende blog trachten we ook dit verder te verduidelijken.