Direct Tax

OV - onontgonnen optimalisatiemogelijkheden

Petra De Peuter

De meeste productiebedrijven beschouwen de onroerende voorheffing op hun gebouwen en 'materieel en outillage' als een vaste kost. Er zijn echter mogelijkheden om de onroerende voorheffing mee te laten evolueren met de activiteiten en de investeringen van het bedrijf.

Betrokken onroerende goederen

De belangrijkste onroerende goederen waarop onroerende voorheffing wordt geheven, zijn gebouwen, materieel en outillage. Voor gebouwen is het, vooral in Vlaanderen, moeilijker te optimaliseren omdat dit uitsluitend kan bij vernieling, afbraak of het volstrekt ontbreken van activiteit of opbrengst.

Op het gebied van materieel en outillage zijn er wel reële optimalisatiemogelijkheden. Het gaat hierbij zowel om het bepalen van de juiste belastbare basis als om het bepalen van onproductieve bestanddelen.

Juiste belastbare basis

De belastbare basis voor de onroerende voorheffing is het kadastraal inkomen (KI). De bepaling hiervan is een federale materie en wordt behandeld door de federale administratie van het kadaster. De regio's kunnen de berekening van het KI niet wijzigen, maar zij kunnen wel vrijstellingen en ontheffingen op de onroerende voorheffing toekennen.

Zo werd er in Vlaanderen van 1998 tot 2008 een drempelwaarde ingesteld die de minimum belastbare basis vormde voor de berekening van de onroerende voorheffing op materieel en outillage. Het KI van bijkomende investeringen boven deze drempel werd vrijgesteld. Dit had echter tot gevolg dat de onroerende voorheffing werd beschouwd als een vaste kost. Vaak werden ook geen aangiften in verband met investeringen of desinvesteringen ingediend bij het kadaster omdat dit toch geen invloed had op de te betalen belasting.

Per 2008 werd deze minimum belastbare basis afgeschaft en wordt de onroerende voorheffing bepaald op basis van het materieel en outillage dat werkelijk aanwezig is in het bedrijf. Investeringen in nieuw materieel en outillage aangekocht vanaf 1.01.1998 werden vrijgesteld van onroerende voorheffing.

Vele bedrijven betalen mogelijk nog steeds onroerende voorheffing op materieel en outillage dat niet meer aanwezig is en/of genieten nog niet van de vrijstellingen die van toepassing zijn op de vervangings- of nieuwe investeringen. Door na te gaan of de staat van materieel en outillage waarop ze vandaag belast worden, overeenstemt met de werkelijkheid, kunnen vele bedrijven dus mogelijk een optimalisatie realiseren. Nadat er een correcte herschatting is gebeurd van het belastbaar KI, is het belangrijk om deze toestand actueel te houden door jaarlijks aangifte te doen van de wijzigingen in het materieel en outillage.

Ook in Wallonië werd de onroerende voorheffing verlaagd om de industrie te stimuleren. Zo werd er vanaf 2004 besloten om de indexatiecoëfficiënt toegepast op het KI van materieel en outillage te bevriezen. Sinds 1 januari 2006 is er ook een volledige vrijstelling van de onroerende voorheffing voor investeringen in nieuw materieel en outillage.

In de praktijk zien wij daarenboven vaak dat er bepaalde investeringen worden aangegeven als materieel en outillage, maar dat deze kwalificatie onjuist is. Het gaat hier bijvoorbeeld om veiligheids- of milieu-investeringen of reserveonderdelen die ten onrechte worden aangegeven. Door deze investeringen uit de belastbare basis te halen, kunnen eveneens belangrijke besparingen worden gerealiseerd.

Onproductiviteit

Daarnaast kennen veel bedrijven periodes van stilstand van machines om uiteenlopende redenen (economische werkloosheid, daling van vraag, incidenten, ...). Van zodra de stilstand op jaarbasis 90 dagen bedraagt (niet noodzakelijk op elkaar volgend), bestaat er een mogelijkheid om een ambtshalve ontheffing te vragen van de onroerende voorheffing.

Bovenstaande optimalisaties zijn onderhevig aan procedureregels. Aangezien de onroerende voorheffing een regionale belasting is, zijn deze procedures verschillend voor Vlaanderen en Wallonië.

Sinds de invoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit in 2013 werd bepaald dat er in Vlaanderen bezwaar kan worden aangetekend tegen de ontvangen aanslag in de onroerende voorheffing binnen een termijn van 3 maanden te rekenen vanaf de 3de werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet. Een verlaging of ontheffing van de onroerende voorheffing zal daarom alleen uitwerking hebben voor het aanslagjaar waartegen tijdig bezwaar werd aangetekend en voor de daaropvolgende aanslagjaren. Retroactieve ambtshalve ontheffingen zijn niet mogelijk in Vlaanderen.

Voor wat betreft bezwaarschriften wegens onproductiviteit of vernieling van onroerende goederen kan de bovenstaande termijn echter nooit verstrijken voor 31 maart van het jaar volgend op het aanslagjaar.

In Wallonië bedraagt de bezwaartermijn tegen de ontvangen aanslag in de onroerende voorheffing 6 maanden te rekenen vanaf de 3de werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet. Echter geldt hier ook een algemene termijn van 5 jaar voor het aanvragen van een ambtshalve ontheffing in geval van overbelasting. Hierdoor kunnen retroactieve ambtshalve ontheffingen van te veel betaalde onroerende voorheffing plaatsvinden.

Conclusie

De onroerende voorheffing mag niet zonder meer beschouwd worden als een vaste kost. Er zijn diverse optimalisatiemogelijkheden die deze kost kunnen drukken.

Door onze ervaring in deze specifieke materie en onze goede contacten bij de verschillende betrokken administratieve diensten kunnen wij uw bevoorrechte partner zijn bij het realiseren van dit optimalisatieproject.