BTW

‘Reverse Skandia’: btw op diensten die maatschappelijke zetel aan filiaal verstrekt

Yannick M'botto Yannick M'botto

Op 11 maart 2021 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) uitspraak gedaan in het arrest-Danske Bank[1] betreffende de diensten die de maatschappelijke zetel van een vennootschap die deel uitmaakt van een btw-eenheid in een EU-lidstaat verstrekt aan haar filiaal in een andere lidstaat.

Het Hof heeft bevestigd dat de maatschappelijke zetel, in dergelijke gevallen, als een onderscheiden belastingplichtige van zijn filiaal moet worden beschouwd wanneer hij diensten aan dat laatste verstrekt. Bijgevolg vallen de diensten tussen de maatschappelijke zetel en het filiaal binnen de werkingssfeer van de btw en moeten ze worden onderworpen aan de verlegging naar het land waar het filiaal gevestigd is.

Ingevolge deze zaak verruimt het Hof de toepassing van het principe-Skandia:

  • niet alleen in een zuiver Europese context (in de zaak-Skandia was de maatschappelijke zetel gevestigd in de Verenigde Staten en maakte het filiaal deel uit van een btw-eenheid in Zweden)
  • maar ook in het geval waarin de maatschappelijke zetel deel uitmaakt van een btw-eenheid en het filiaal, gelegen in een andere lidstaat dan de maatschappelijke zetel, niet.

Context

Danske Bank A/S heeft haar maatschappelijke zetel in Denemarken en heeft een filiaal opgericht in Zweden om bankdiensten in dat land te verstrekken. In Denemarken is de zetel van Danske Bank lid van een btw-eenheid samen met andere eenheden van de groep gevestigd in Denemarken.

De bank gebruikt een informaticaplatform om haar bankverrichtingen te beheren in de landen waarin hij aanwezig is. De kosten voor dat platform worden door de zetel van de bank in Denemarken doorgerekend aan zijn buitenlandse filialen, dus ook aan het Zweedse filiaal.

In het kader van een geschil in Zweden heeft Danske Bank de bevestiging willen krijgen dat de doorfacturering niet onderworpen was aan btw. De Zweedse belastingautoriteiten hebben geoordeeld dat, gezien het feit dat de Deense zetel tot de btw-eenheid behoorde, het Zweedse filiaal moest worden beschouwd als een onderscheiden belastingplichtige in de btw en de doorfactureringen, bijgevolg, waren onderworpen aan btw.

Beslissing van het HvJ-EU

Het HvJ-EU heeft bevestigd dat wanneer een maatschappelijke zetel en een filiaal in verschillende EU-lidstaten gelegen zijn en één van hen deel uitmaakt van een btw-eenheid, de maatschappelijke zetel en zijn filiaal als onderscheiden belastingplichtigen worden beschouwd, zodat hun onderlinge prestaties binnen de werkingssfeer van de btw vallen. 

Gevolgen

In België wordt die ruime interpretatie van de zaak-Skandia al toegepast sinds 2015. Sommige landen echter, zoals Nederland en Duitsland, hebben Skandia restrictiever toegepast. Bijgevolg zullen zij hun interpretatie na dit arrest wellicht moeten herzien.

Deze zaak zal ongetwijfeld een impact hebben op de financiële sector die vaak gebruik maakt van de btw-eenheid. De ondernemingen in die sector zouden best:

  • wanneer transacties plaatsvinden tussen een maatschappelijke zetel en zijn filiaal die in verschillende lidstaten gevestigd zijn, nagaan of die entiteiten deel uitmaken van een btw-eenheid
  • de territoriale draagwijdte van die btw-eenheid bepalen
  • de transacties identificeren en de te betalen btw bepalen en
  • de impact ramen op hun recht op aftrek van btw.

Hebt u advies nodig over deze topic?

We zijn steeds bereid om de mogelijke impact van deze problematiek op uw activiteit te bespreken en na te gaan wat u moet doen.

[1] (C-812/19)