Personenbelasting
Sinds aanslagjaar 2021 wordt per wagen een individueel aftrekbaar percentage berekend op basis van de CO2-uitstoot en het brandstoftype, in bepaalde gevallen gecorrigeerd door minima en maxima.
Voor hybride wagens gelden vanaf 1 januari 2025 aparte maximale aftrekpercentages die verschillen van deze voor andere wagens op fossiele brandstoffen. Deze zijn hetzelfde tijdens “de hele gebruiksduur van het voertuig door dezelfde eigenaar/huurder”, wat impliceert dat het maximumpercentage afhankelijk zal zijn van het jaar van aanschaf/ingebruikname.
Voor hybride wagens is er een maximale fiscale aftrekbaarheid:
- 75% voor wagens aangeschaft/in gebruik genomen tot en met 31 december 2027;
- 65% in 2028;
- 57,5% in 2029.
De fossiele brandstofkosten van hybride wagens, die maximaal 50% aftrekbaar zijn sinds 2023, blijven maximaal 50% aftrekbaar tot en met 31 december 2027. De elektrische verbruikskosten van hybrides krijgen dezelfde maximale aftrekbaarheid als die voor elektrische modellen: 95% voor wagens aangeschaft in 2027 tot 67,5% voor wagens aangeschaft in 2031.
De brandstofkosten voor personenwagens, wagens voor dubbel gebruik en minibussen zijn vanaf 1 januari 2026 niet meer als beroepskosten aftrekbaar, ongeacht de datum van aankoop, huur of leasing van het voertuig.
Deze regeling is opgenomen in de wet houdende diverse bepalingen van 18 december 2025 (categorie 1) en is van toepassing vanaf 1 januari 2026 (via het amendement nr. 1127/009).
De programmawet van 18 juli 2025 (categorie 1) heeft wijzigingen aangebracht in het stelsel van VVPR-bis en de liquidatiereserve. Het doel is duidelijk: een meer neutraal en coherent kader creëren voor winstuitkeringen, waarbij ongelijkheden tussen beide regimes zoveel mogelijk verdwijnen.
Voor liquidatiereserves die worden aangelegd vóór 1 januari 2026 zijn de volgende regels van toepassing:
- Een uitkering aan 5% RV is mogelijk wanneer de reserve gedurende minstens vijf jaar behouden blijft, te rekenen vanaf de laatste dag van het belastbaar tijdperk van aanleg (ongewijzigd).
- Wanneer de reserve gedurende een periode tussen drie en vijf jaar wordt aangehouden, te rekenen vanaf de laatste dag van het belastbaar tijdperk van aanleg, geldt een RV van 6,5 %.
- Indien de liquidatiereserve minder dan drie jaar wordt aangehouden, te rekenen vanaf de laatste dag van het belastbaar tijdperk van aanleg, zal een RV van 20% verschuldigd zijn.
Voor liquidatiereserves die aangelegd worden vanaf 1 januari 2026 blijft er maar één optie over om van een lagere RV van 6,5 % te kunnen genieten. Uitkering aan dit tarief is mogelijk na het aanhouden van de reserve gedurende een periode van minimaal 3 jaar te rekenen vanaf de laatste dag van het belastbaar tijdperk van aanleg. Het tarief van de RV van 5% zal dus worden opgetrokken naar 6,5%. Door deze verhoging stijgt de totale effectieve belastingdruk op uitkeringen van een liquidatiereserve van 13,64% naar 15%.
Die verhoging geldt voor dividenden die toegekend of betaalbaar zijn gesteld vanaf 29 juli 2025.
Bij een vroegere uitkering zal de RV 30 % bedragen. Bij vereffening geldt nog steeds dat de RV bij uitkering 0% is.
In de loop van 2026 zullen ook de details verder worden uitgewerkt in het voorontwerp van de nieuwe programmawet (categorie 2) m.b.t. de tariefverhoging van de roerende voorheffing naar 9,8% in het stelsel van de liquidatiereserves. Door deze aangekondigde tariefverhoging zal de uitkering van een liquidatiereserve in haar totaliteit een effectieve heffing hebben ondergaan van 18%).
Vennootschappen zullen hun liquidatiereserves dus sneller kunnen uitkeren, maar dit gaat gepaard met een stijging van de fiscale kost. Het niet-naleven van de wachttermijn wordt aanzienlijk duurder.
VVPRbis-regime
Wanneer een dividend verleend of toegekend wordt uit de winstverdeling van het derde boekjaar (en volgende) na dat van de inbreng dan is het VVPRbis-dividend belastbaar aan 15%.
Daarnaast bedraagt de RV 20% voor de VVPRbis kwalificerende dividenden, toegekend uit de winstverdeling van het tweede boekjaar volgend op dat van de inbreng. Dit verlaagd tarief in de RV, blijft enkel behouden wanneer deze inbreng vóór 31 december 2025 is verricht. Voor inbrengen vanaf deze datum zal een dividend, toegekend uit de winstverdeling voor het eerste of tweede boekjaar volgend op dat van de inbreng, een RV van 30% ondergaan. Vanaf het derde boekjaar zal de RV 15% bedragen.
Om de ongelijkheden tussen het stelsel van de liquidatiereserve en de VVPRbis dividenden weg te werken, werd ook hier een tariefverhoging aangekondigd, waarvan in de loop van 2026 de details verder zullen worden uitgewerkt in het voorontwerp van de nieuwe programmawet (categorie 2). Concreet zou het gaan over een tariefverhoging in het stelsel van VVPR-bis van 15% naar 18% voor dividenden uitgekeerd uit de winstverdeling van het derde boekjaar dat volgt op de inbreng.
Het wetsontwerp (categorie 2) tot invoering van een belasting op meerwaarden op financiële activa (onder andere effecten, beleggingsfondsen, ETF’s, derivaten, tak 21/23/26/44 verzekering – uitgezonderd de schuldsaldo- en uitvaartverzekeringen – en de crypto activa – enz.) van 17 december 2025 beoogt vanaf 1 januari 2026 een belasting in te voeren op gerealiseerde meerwaarden die worden gerealiseerd buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid en die voortkomen uit het normaal beheer van privévermogen. Deze meerwaarden waren voordien vrijgesteld. Deze meerwaarden zullen worden belast als een divers inkomen. Het abnormaal beheer van privévermogen of meer bepaald speculatieve verrichtingen blijft belastbaar aan 33%.
De meerwaarde zal worden berekend door de ontvangen verkoopprijs te verminderen met de aanschaffingswaarde van de financiële activa. Kosten van vervreemding of belastingen zijn niet aftrekbaar. Voor de berekening van deze aanschaffingswaarde zal als uitgangspunt de waarde van de activa op 31 december 2025 gelden (bvb. slotkoers, waarderingsformule in contracten, EBITDA-multiple voor aandelen , enz.). Indien de oorspronkelijke aanschaffingswaarde hoger ligt dan deze waarde, mag die mits voorlegging van bewijs worden gebruikt voor de berekening van de meerwaarde tot 31 december 2030. De historische meerwaarden (opgebouwd vóór 1 januari 2026) blijven vrijgesteld.
Het stelsel van de meerwaardebelasting voorziet in een algemeen en een bijzonder regime en dit in functie van de participatiegraad van de belastingplichtige. De concrete belastingtarieven zijn uitgewerkt per regime.
Het algemeen regime is gericht op alle meerwaarden op financiële activa die niet binnen de andere twee bijzondere regimes vallen. Dit regime voorziet dat iedere belastingplichtige de mogelijkheid heeft om jaarlijks te genieten van een voetvrijstelling van EUR 10.000 (indexatie) aan meerwaarden. Die voetvrijstelling zou bovendien (beperkt) overdraagbaar zijn. In de mate dat de eerste schijf van EUR 1.000 van de vrijstelling niet wordt gebruikt in een belastbaar tijdperk, kan het ongebruikte deel van deze eerste EUR 1.000 worden overgedragen naar de volgende belastbare tijdperken. Het totaal van het overgedragen vrijgestelde bedrag dat mag worden toegevoegd aan de oorspronkelijke voetvrijstelling van EUR 10.000, kan evenwel niet meer dan EUR 5.000 euro bedragen (5 keer de maximaal over te dragen voetvrijstelling per belastbaar tijdperk). Op bedragen boven deze vrijstelling geldt een belastingtarief van 10%.
In het eerste bijzonder regime is er een speciale regeling voorzien voor aandeelhouders met een aanmerkelijk belang van 20% of meer. Zij kunnen genieten van een vrijstelling tot EUR 1 miljoen. Het bedrag van deze vrijstelling is evenwel slechts beschikbaar per periode van vijf opeenvolgende jaren. Belastingplichtigen kunnen met andere woorden niet elk jaar de vrijstelling van EUR 1 miljoen toepassen (bv. als de belastingplichtige in meerdere vennootschappen een aanmerkelijk belang heeft of een participatie gespreid overdraagt over meerdere jaren). Als de vrijgestelde schijf al volledig wordt opgebruikt in het 'eerste jaar', zal de belastingplichtige in de vier volgende jaren dus niet langer de vrijstelling kunnen genieten.
Voor bedragen boven deze drempel wordt een progressief getrapt tarief toegepast:
- 1,25% op meerwaarden tussen EUR 1 miljoen en EUR 2,5 miljoen;
- 2,50% op meerwaarden tussen EUR 2,5 miljoen en EUR 5 miljoen;
- 5% op meerwaarden tussen EUR 5 miljoen en EUR 10 miljoen;
- 10% op meerwaarden boven EUR 10 miljoen.
Bij verkoop aan een niet‑EER entiteit geldt een tarief van 16,5% boven de eerste vrijgestelde schijf van EUR 1 miljoen. De voorwaarden zijn dat het enkel geldt voor aandelen (geen winstbewijzen) en de 20% drempel moet in hoofde van de individuele overdrager worden beoordeeld op het moment van de overdracht.
In het tweede bijzondere regime is er een specifieke regeling voorzien voor interne meerwaarden. Dit betreft meerwaarden die gerealiseerd worden wanneer één of meerdere individuele aandeelhouders hun rechtstreekse participatie in een vennootschap overdragen naar een andere (holding) vennootschap die ook door de overdrager alleen of samen met naaste familie wordt gecontroleerd. Interne meerwaarden zullen onder diverse inkomsten vallen en belastbaar zijn aan 33%.
Minderwaarden gerealiseerd door dezelfde belastingplichtige binnen dezelfde soort en binnen hetzelfde jaar kunnen worden verrekend, maar verliesoverdracht naar volgende jaren is niet toegestaan. Hierdoor zullen minderwaarden op financiële activa (die geen aanmerkelijk belang uitmaken) niet aftrekbaar zijn van meerwaarden in het kader van een aanmerkelijk belang.
De nieuwe meerwaardebelasting is in principe van toepassing bij de "overdracht onder bezwarende titel" van financiële activa die onder één van de drie regimes vallen. Schenkingen of overdrachten bij overlijden zullen dus buiten het toepassingsgebied vallen.
Vrijstellingen zijn er onder meer voor:
- Bepaalde reorganisaties van beleggingsfondsen;
- Tweede en derde pensioenpijler;
- Meerwaarden bij inbreng van aandelen;
- Reeds op andere grond belastbare inkomsten;
- Inkomsten reeds belast onder de Kaaimantaks;
- Uitonverdeeldheidtreding binnen 3 jaar na overlijden/echtscheiding/beëindiging wettelijke samenwoning.
De inning van de nieuwe meerwaardebelasting zal gebeuren door de invoering van een bevrijdende RV van 10%. Die RV wordt ingehouden door de in België gevestigde tussenpersonen (bvb., banken, verzekeraars, enz.) die bij de transactie betrokken zijn. De voorheffing geldt niet voor meerwaarden op cryptoactiva, valuta, interne meerwaarden of meerwaarden binnen de soort “aanmerkelijk belang”.
Tussenpersonen mogen bij de berekening van de RV geen rekening houden met de vrijgestelde schijf van EUR 10.000 (tot EUR 15.000), noch met aftrekbare minderwaarden of met een hogere historische aanschaffingswaarde. Die correcties worden uitsluitend via de aangifte personenbelasting verrekend. In situaties waarin de tussenpersoon geen kennis heeft van de aanschaffingswaarde, moet de RV worden ingehouden op de volledige ontvangen prijs. Belastingplichtigen kunnen nadien via hun aangifte de werkelijke waarde aantonen.
De RV werkt bevrijdend, wat betekent dat belastingplichtigen de betrokken meerwaarden in principe niet moeten opnemen in hun aangifte. Zij kunnen dat wel doen wanneer zij een vrijstelling of correctie willen inroepen. Zij moeten enkel die meerwaarden aangeven waarvoor een vrijstelling wordt gevraagd, dus niet alle gerealiseerde meerwaarden.
Vanwege het feit dat de RV tot prefinanciering kan leiden, wordt er ook voorzien in een opt-outregeling. Belastingplichtigen kunnen ervoor kiezen om geen RV te laten inhouden. De opt‑out moet uiterlijk op 30 juni 2026 worden meegedeeld aan de tussenpersoon en geldt retroactief voor het volledige inkomstenjaar 2026. De keuze blijft geldig tot ze door minstens één titularis wordt herroepen, wat slechts éénmaal per jaar kan.
Wie gebruikmaakt van de opt‑out zal deze meerwaarden verplicht moeten aangeven.
De nieuwe meerwaardebelasting treedt in werking voor alle meerwaarden die worden gerealiseerd vanaf 1 januari 2026. Voor de RV geldt een afwijkende inwerkingtreding. De inhouding van de RV op belastbare meerwaarden start pas vanaf de tiende dag na publicatie van de wet die nog in het Belgisch Staatsblad moet verschijnen. Voor meerwaarden die tussen 1 januari 2026 en deze datum worden gerealiseerd, kan dus geen RV worden ingehouden door de financiële tussenpersonen.
Hierdoor zouden belastingplichtigen deze meerwaarden in principe moeten aangeven. Om dit te vermijden voorziet het wetsontwerp in een mogelijkheid aan de belastingplichtige om een “bedrag equivalent aan de RV” vrijwillig te storten via een financiële tussenpersoon (‘opt-in’). Dit verzoek moet door alle titularissen van de betrokken rekening of polis worden ingediend uiterlijk op 30 juni 2026, waarna het bedrag ten laatste op 30 september 2026 moet worden doorgestort.
Dit equivalente bedrag wordt behandeld als echte RV, namelijk het is verrekenbaar, eventueel terugbetaalbaar en bevrijdt de belastingplichtige van aangifteplicht. Echter zijn financiële instellingen niet verplicht om deze dienst aan te bieden en hebben ze slechts een korte periode om dergelijke stortingen te verwerken.
Tot slot geldt een specifieke overgangsregel voor RV op andere meerwaarden. Voor die meerwaarden gerealiseerd tussen 1 januari en 30 juni 2026 is RV pas verschuldigd uiterlijk op 30 september 2026, zodat tussenpersonen voldoende tijd krijgen om hun processen aan te passen. Vanaf 1 juli 2026 geldt opnieuw de normale termijn van vijftien dagen.
De wetgever heeft de bestaande exitheffing in de vennootschapsbelasting uitgebreid naar de personenbelasting. Wanneer een vennootschap haar zetel van bestuur naar het buitenland verplaatst, wordt ze voor toepassing van de Belgische vennootschapsbelasting geacht te zijn vereffend en ontbonden. Hierdoor worden de in de vennootschap aanwezige latente meerwaarde geacht te zijn gerealiseerd en belast.
Deze fictie wordt nu doorgetrokken naar de aandeelhouders en is via de programmawet van 18 juli 2025 (categorie 1) van toepassing op verrichtingen vanaf 29 juli 2025. Bij een grensoverschrijdende zetelverplaatsing, fusie, splitsing en andere herstructureringen waarbij activa niet langer in België worden gebruikt of aangehouden, worden aandeelhouders belast alsof er een liquidatie plaatsvindt (‘liquidatiedividend’).
Merk op dat dit gebeurt ongeacht het feit dat er een effectieve uitkering heeft plaatsgevonden. Aangezien het om een fictieve dividenduitkering gaat, kan de belasting niet worden geïnd via de RV. Hierdoor is de aandeelhouder verplicht dit aan te geven in de aangifte personenbelasting. Vennootschappen moeten individuele fiches afleveren aan hun aandeelhouders. Bij niet-naleving wordt een aanvullende aanslag geheven ten laste van de vennootschap.
Bij latere realisatie van de werkelijke meerwaarde en effectieve uitkering van een dividend wordt een verrekeningsmechanisme (belastingkrediet) voorzien om dubbele belasting te vermijden.
Tot slot om de conformiteit met het EU-recht te waarborgen, kan men net zoals in de vennootschapsbelasting opteren voor onmiddellijke betaling van de verschuldigde belasting of voor een uitstel van heffing.
Dit betreft een jaarlijkse taks die van toepassing is op effectenrekeningen met een gemiddelde waarde van meer dan EUR 1 miljoen. Alle financiële instrumenten en geldmiddelen op een effectenrekening vallen onder het toepassingsgebied van de taks (o.a. : aandelen, obligaties, beleggingsfondsen, aandelen, obligaties, kasbons, trackers, swaps, opties, geldmiddelen, enz.). Ook bepaalde verzekeringsproducten vallen onrechtstreeks onder de effectentaks, omdat de verzekeringsonderneming de onderliggende activa op een effectenrekening aanhoudt.
Via de programmawet van 18 juli 2025 (categorie 1) wordt er een nieuwe meldplicht voor elke omzetting of overdracht van financiële instrumenten op een effectenrekening ingevoerd wanneer aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Ook wordt er een antimisbruikbepaling ingevoerd voor situaties van omzetting of overdracht. Daarbij geldt voortaan een weerlegbaar vermoeden van misbruik. Echter is er geen sprake van misbruik wanneer de verrichting gebeurt in het kader van een schenking aan kinderen of wanneer er een splitsing plaatsvindt buiten de wil van de betrokken partijen, zoals bij een echtscheiding.
De meldingsplicht geldt voor Belgische tussenpersonen of voor erkende aansprakelijke vertegenwoordigers of als de rekening in het buitenland wordt beheerd zonder vertegenwoordiger : de titularis van de effectenrekening. De termijnen voor de kennisgeving kunnen als volgt worden samengevat :
- Einde referentie periode is uiterlijk op 31 oktober 2025 : de uiterste datum voor de kennisgeving valt op 31 december 2025 (administratieve tolerantie : verlenging termijn tot 31 januari 2026);
- Einde referentie periode vanaf 1 november 2025 : de uiterste datum voor de kennisgeving valt op de laatste dag van de maand volgend op het einde van de referentieperiode.
- Een andere administratieve tolerantie biedt een extra termijn tot 30 april 2026 om, indien nodig, een initiële kennisgeving zonder eenheidswaarde te vervangen door een volledige kennisgeving met vermelding van de eenheidswaarde van de overgedragen of omgezette financiële instrumenten
Tevens treedt de regeling in werking op 29 juli 2025, alle transacties die sinds deze datum zijn uitgevoerd moeten aan de administratie worden gemeld.
Tot slot volgens het jongste begrotingsconclaaf van eind 2025 werd er besproken dat er een verhoging van het tarief van de jaarlijkse effectenrekening zal komen (0,15% zou 0,30% worden).
Sedert 1 januari 2023 zijn de fiscale regels voor de behandeling van auteursrechten grondig hervormd. Een belangrijke wijziging bestond uit de verstrenging van de fiscale definitie van ‘auteursrechten’, waardoor onder meer de IT‑sector niet langer gebruik kon maken van het gunstregime.
Die verstrenging leidde tot aanzienlijke kritiek in de rechtsleer en talrijke discussies in de rechtspraak. Uiteindelijk bevestigde het Grondwettelijk Hof op 16 mei 2024 dat computerprogramma’s en software effectief buiten het toepassingsgebied van het fiscale auteursrechtenregime vallen.
Ondanks die rechtspraak voorzag het regeerakkoord opnieuw in een uitbreiding van het fiscale regime naar digitale beroepen, specifiek voor werkzaamheden die betrekking hebben op computerprogramma’s zoals beschermd in boek XI, titel 6 van het Wetboek van Economisch Recht.
Momenteel wordt er gewerkt aan een wetsontwerp in het kader van de hervorming van de personenbelasting (categorie 2). Dit ontwerp voorziet dat het gunstregime voor auteursrechten opnieuw van toepassing zal worden op inkomsten afkomstig uit de overdracht of licentie van computerprogramma’s.
Echter is er in de huidige ontwerpteksten te lezen dat de regering de forfaitaire kostenaftrek voor auteursrechten wil afschaffen vanaf inkomstenjaar 2026. Tot nu toe konden auteurs rekenen op een laag vast tarief van 15% en een forfaitaire kostenaftrek van 50% op de eerste inkomenstenschijf en 25% op de volgende. Die regeling maakte dat de effectieve belastingdruk in sommige gevallen slechts 7,5% bedroeg. Deze maatregel in de ontwerptekst schrapt nu volledig het forfaitaire kostenstelsel. Enkel werkelijke kosten zouden nog aftrekbaar zijn.
Alleen blijkt dat deze afschaffing niet volledig wordt doorgetrokken. Het kostenforfait blijft immers behouden voor auteurs die beschikken over een kunstwerkattest. Dit attest speelt vandaag reeds een rol binnen het fiscale regime, omdat een auteur in principe moet aantonen dat de auteursrechten worden overgedragen of in licentie gegeven zijn voor mededeling aan het publiek, openbare uitvoering of reproductie.
Auteurs met zo’n attest zijn vrijgesteld van deze bewijsverplichting. Tot op heden bleef de impact hiervan beperkt, aangezien de meeste belastingplichtigen die gebruikmaken van de regeling niet over zo’n attest beschikken, waardoor het geen noodzakelijke voorwaarde was om het gunstregime toe te passen.
Echter geeft deze ontwerptekst het kunstwerkattest nu een veel grotere fiscale betekenis. Het forfaitaire kostenregime blijft voortaan uitsluitend behouden voor auteurs met zo’n attest. Dit attest wordt daarmee het doorslaggevende criterium om toegang te krijgen tot de forfaitaire kostenaftrek van:
- 50% op de eerste geïndexeerde schijf (EUR 20.100 voor AJ 2026);
- 25% op de tweede schijf van EUR 20.100,01 tot EUR 40.190.
Het Belgische bijzondere belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen en onderzoekers werd de voorbije jaren al grondig hervormd. Sinds de afschaffing van het oude expatregime in 2022 vormt dit nieuwe stelsel een cruciale hefboom om internationaal talent aan te trekken. Met de wet houdende diverse bepalingen van 18 december 2025 (categorie 1) wordt het kader verder verruimd en geoptimaliseerd. De wijzigingen treden in werking vanaf 1 januari 2025.
Tot en met eind 2024 gold dat een inpat jaarlijks minstens EUR 75.000 brutobezoldiging moest ontvangen. Vanaf 1 januari 2025 wordt deze drempel verlaagd naar EUR 70.000. Voor onderzoekers blijft er geen minimumbezoldiging vereist (ongewijzigd).
Het inpatriate regime voorziet al langer in een belastingvrije vergoeding van 30% op de bruto jaarbezoldiging, met een maximum van EUR 90.000 per jaar. Daarin veranderen nu twee zaken:
- De vergoeding stijgt van 30% naar 35%;
- Het absolute maximumplafond van EUR 90.000 verdwijnt.
Belangrijk aandachtspunt hierbij is dat op sociaalrechtelijk vlak de Rijksdienst voor sociale zekerheid (hierna : RSZ) deze verhoging (voorlopig) niet volgt.
Aangezien de loondrempel pas eind 2025 wettelijk werd verlaagd, zouden bepaalde werknemers die in 2025 al in dienst waren getreden zonder dat zij destijds in aanmerking kwamen voor het regime, uit de boot vallen, eenvoudigweg omdat ze nét onder de oude grens van EUR 75.000 vielen. Hierdoor is er een retroactieve aanvraagmogelijkheid voor:
- Personen in dienst getreden tussen 1 januari 2025 en 9 januari 2026;
- Die niet voldeden aan de oude drempel van EUR 75.000;
- Maar wél aan de nieuwe drempel van EUR 70.000 én alle andere voorwaarden opgenomen in de wet.
Die aanvraag moet gebeuren ten laatste op 9 april 2026. De toepassing van het regime loopt dan retroactief vanaf de indiensttreding, met als vroegste startdatum 1 januari 2025.
Om ondernemerschap in eigen naam fiscaal te stimuleren en de ‘vervennootschappelijking’ (i.e. werken via vennootschap) tegen te gaan (zie ook de hoger beschreven maatregelen inzake de hoogte van de bedrijfsleidersbezoldiging), zullen zelfstandigen of éénmanszaken een aantal fiscale voordelen krijgen volgens het begrotingsakkoord van 24 november 2025 (categorie 2).
In de wet houdende diverse bepalingen van 18 december 2025 (categorie 1) wordt het belastingkrediet voor de aangroei van eigen middelen versterkt. Meer bepaald hebben genieters van winsten of baten bij een stijging van hun ‘eigen middelen’ onder bepaalde voorwaarden recht op een belastingkrediet. Het tarief van dit krediet wordt verdubbeld van 10% naar 20% en ook het plafond verdubbeld van EUR 3.750 naar EUR 7.500. Die regeling treedt in werking vanaf aanslagjaar 2026.
In het wetsontwerp tot hervorming van de personenbelasting (categorie 2) zijn ook een aantal wijzigingen voorzien. Zo wordt de belastingvermeerdering voor onvoldoende voorafbetalingen (6,75% voor inkomstenjaar 2025) afgeschaft voor ondernemers die winsten of baten behalen. Ook zullen zij de mogelijkheid krijgen om een vijfde voorafbetaling te doen (uiterlijk op 20 februari van het aanslagjaar) die in aanmerking komt voor bonificatie van 1,5% (belastingvermindering).
Daarnaast zullen zelfstandigen recht hebben op een ‘ondernemersaftrek’. Er zal vanaf aanslagjaar 2028 een vrijstelling van belasting gelden voor de eerste schijf (10%) van winsten en baten voor zelfstandigen in hoofd- en bijberoep. De aftrek zal maximaal EUR 650 (na indexering) bedragen. Vanaf inkomstenjaar 2029 zal de aftrek stijgen tot maximaal EUR 900 (na indexering).
Occasionele winsten of baten zijn inkomsten verkregen buiten het kader van een beroepsactiviteit (bv. inkomsten uit tweedehands verkopen). Een occasionele activiteit is een activiteit die op onregelmatige wijze en over een korte periode zonder herhaling (regelmaat) wordt uitgeoefend. Er mag immers geen sprake zijn van een geheel van verrichtingen die hetzij regelmatig voorkomen, hetzij onderling verbonden zijn en die een beroepswerkzaamheid zouden uitmaken. Inkomsten uit occasionele activiteiten worden belast tegen 33%, tenzij het normale verrichtingen van beheer van een privévermogen betreffen.
In het wetsontwerp tot hervorming van de personenbelasting (categorie 2) zal er, om discussies te voorkomen over wat wel of niet onder een “normaal beheer” moet worden verstaan, een de minimis‑regel worden ingevoerd:
- De inkomsten uit verrichtingen van beheer van een privévermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen worden voortaan onweerlegbaar vermoed normale verrichtingen van beheer van een privévermogen te zijn, wanneer de bruto‑opbrengst niet hoger is dan EUR 2.000 (na indexering) per belastingplichtige en per aanslagjaar.
- Het blijft aan de fiscale administratie om het belastbare karakter van de inkomsten aan te tonen (dus: dat het géén normaal beheer van een privévermogen betreft) om de opbrengsten die hoger zijn dan 2.000 EUR te kunnen belasten.
- Het onweerlegbaar vermoeden geldt niet voor verrichtingen van beheer die betrekking hebben op financiële activa (cf. meerwaardebelasting).
Die regeling zou van toepassing worden vanaf aanslagjaar 2027.
Het regeerakkoord neemt ook maatregelen om studentenwerk aan te moedigen. Het aantal uren dat een student per jaar mag werken, waarvoor geen RSZ-bijdragen en bedrijfsvoorheffing zijn verschuldigd, stijgt van 475 naar 650 uur (permanente regeling) en de minimumleeftijd voor het sluiten van de overeenkomst wordt verlaagd tot 15 jaar. Dit treedt in werking vanaf 1 januari 2025 (categorie 1).
Om te vermijden dat studenten niet langer fiscaal ten laste zouden zijn, wordt de fiscale grens voor toegelaten inkomsten uit studentenarbeid verhoogd. Kinderen zijn fiscaal ten laste van hun ouders zolang ze thuis wonen en slechts beperkte inkomsten hebben. Bepaalde inkomsten worden, al dan niet volledig, uitgesloten uit de berekening van de toegelaten nettobestaansmiddelen. Zo worden bv. inkomsten uit studentenarbeid uitgesloten tot een bedrag van EUR 3.420 (aanslagjaar 2026). Dit wordt nu verdubbeld tot EUR 6.840 (aanslagjaar 2026) door de wet van 10 april 2025 (categorie 1). Dit treedt in werking vanaf 1 januari 2025.
Bovenstaande regels zijn ondertussen goedgekeurd in de Kamercommissie voor Sociale Zaken. Tot slot is voor alle personen ten laste het toegestane maximumbedrag van de netto -bestaansmiddelen eenvormig vastgesteld op EUR 12.000 (aanslagjaar 2026) via de wet houdende diverse bepalingen van 18 december 2025 (categorie 1). Dit treedt in werking vanaf 1 januari 2025 (aanslagjaar 2026).
Kosten eigen aan de werkgever
Er zal een kader komen, met als bedoeling om discussies over deze belastingvrije vergoedingen te beperken. Hopelijk houdt dit ook een harmonisering in tussen de regels inzake inkomstenbelastingen en sociale zekerheid (categorie 2).
Collectieve bonussystemen (CAO 90, winstpremie ..)
Deze systemen zouden worden geharmoniseerd.
Tevens zou een flexibele verloning maximaal 20% van de jaarlijkse bruto-bezoldiging mogen bedragen (categorie 2).
Giften
In de wet houdende diverse bepalingen van 18 december 2025 (categorie 1) daalt de fiscale vermindering voor de giften van 45% naar 30%. Deze wet is inwerking getreden sinds 1 januari 2025 (aanslagjaar 2026).
Afschaffing van de federale intrestaftrek onroerend goed
De wet houdende diverse bepalingen van 18 december 2025 (categorie 1) voorziet in de afschaffing van de federale onroerende interestaftrek met ingang van 1 januari 2025 (aanslagjaar 2026). Hierdoor verdwijnt de mogelijkheid om interesten van leningen die zijn aangegaan voor het verwerven of behouden van onroerend goed (anders dan de eigen woning) in aftrek te brengen van het onroerend inkomen.
De fiscus heeft bevestigd dat deze afschaffing geldt voor zowel nieuwe als lopende schulden.
In het verlengde hiervan worden vanaf aanslagjaar 2026 ook verschillende federale overgangsregelingen inzake woonfiscaliteit definitief opgeheven. Het gaat onder meer om:
- de federale belastingvermindering voor lage‑energiewoningen, passiefwoningen en nul‑energiewoningen;
- de belastingvermindering voor interesten van groene leningen;
- de bijkomende interestaftrek;
- het bouwsparen;
- de federale belastingvermindering voor de enige en eigen woning (de zgn. federale woonbonus*).
* De federale woonbonus betrof hypothecaire leningen afgesloten tussen 2005 en 2013 voor de eigen en enige woning, op voorwaarde dat uiterlijk in 2015 niet langer werd voldaan aan de voorwaarde van “eigen woning”. Voor zowel de interesten als de kapitaalaflossingen kon een belastingvermindering in de personenbelasting worden verkregen, op voorwaarde dat de woning nog steeds als “enige” werd aangemerkt.
Hoewel deze federale stelsels vervallen vanaf aanslagjaar 2026, benadrukt de fiscus dat de kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen en de daarmee verband houdende premies van individuele levensverzekeringen, mits voldaan aan de toepasselijke voorwaarden, wel nog in aanmerking kunnen komen voor de federale belastingvermindering voor het langetermijnsparen.
Belastbaarheid en aftrekbaarheid van onderhoudsuitkeringen
Deze worden bij respectievelijk de genieter en de betaler stapsgewijs verlaagd. Het aftrek- en belastingpercentage zal :
- 70 % bedragen voor de onderhoudsuitkeringen die sinds 1 januari 2025 worden betaald of toegekend (voor zover het belastbare tijdperk eindigt na 30 december 2025 – indien ervoor dan 80%);
- 60 % bedragen voor de onderhoudsuitkeringen die vanaf 1 januari 2026 worden betaald of toegekend;
- 50 % bedragen voor de onderhoudsuitkeringen die vanaf 1 januari 2027 worden betaald of toegekend.
Wat ook nog van belang is:
- Dit percentage van 50% zal na 1 januari 2027 behouden blijven ;
- Het moment van betaling van de uitkering is doorslaggevend.
Daarnaast zullen onderhoudsuitkeringen die worden betaald aan landen buiten de Europese Economische Ruimte (met uitzondering van Zwitserland) niet langer fiscaal aftrekbaar zijn (en de genieter niet langer belastbaar zijn).
Dezelfde daling komt eveneens voor in het wetsontwerp (categorie 2) dat de fiscale behandeling bespreekt van onderhoudsuitkeringen die worden uitgekeerd onder de vorm van een kapitaal.
Deze regeling is opgenomen in de wet houdende diverse bepalingen van 18 december 2025 en treedt in werking op onderhoudsuitkeringen die vanaf 1 januari 2026 worden betaald of toegekend.
Beperking huwelijksquotiënt
Gehuwden en wettelijk samenwonenden kunnen vandaag een deel van hun beroepsinkomsten overhevelen naar hun partner, waardoor de gezamenlijke belastingdruk daalt. In het voorontwerp van hervorming van de personenbelasting (categorie 2) wordt deze regeling echter stelselmatig afgebouwd.
De geplande wijzigingen zijn als volgt:
- Gepensioneerden
- Voor belastingplichtigen die op 1 januari van het aanslagjaar de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, wordt een uitdoofscenario over 20 jaar ingevoerd. Er blijft 30% overheveling mogelijk, maar het maximumbedrag wordt elk jaar verlaagd, tot geen overheveling meer mogelijk is vanaf aanslagjaar 2046.
- Voor belastingplichtigen die op 1 januari van het aanslagjaar de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, wordt een uitdoofscenario over 20 jaar ingevoerd. Er blijft 30% overheveling mogelijk, maar het maximumbedrag wordt elk jaar verlaagd, tot geen overheveling meer mogelijk is vanaf aanslagjaar 2046.
- Niet‑gepensioneerden
- Het huwelijksquotiënt blijft bestaan, maar het maximumbedrag dat kan worden overgeheveld wordt gespreid over vier aanslagjaren (2027–2030) geleidelijk gehalveerd. Nadien blijft het stelsel op dit lagere niveau behouden (ook na aanslagjaar 2045).
Een andere wijziging betreft dat vanaf aanslagjaar 2027 de maximumbedragen voor het huwelijksquotiënt niet langer worden geïndexeerd.
Het doel van deze hervorming is te vermijden dat de regeling een stimulans vormt voor één van beide partners om niet te werken.
Aanpassingen belastingvrije som
Om de nettolonen te verhogen, wordt de belastingvrije som voor iedereen die inkomsten uit arbeid geniet, stapsgewijs opgetrokken. Daarnaast wordt de toeslag voor kinderen ten laste hervormd, waarbij voortaan dezelfde toeslag voor elk kind geldt, ongeacht het aantal kinderen.
In het voorontwerp tot hervorming van de personenbelasting (categorie 2) zijn de volgende wijzigingen opgenomen:
- Geleidelijke verhoging van de belastingvrije som over de aanslagjaren 2027 t.e.m. 2031: het huidige basisbedrag van EUR 4.785 (aj. 2026, ongeïndexeerd) stijgt tot EUR 6.230 (aj. 2031, ongeïndexeerd).
- Mogelijke aanpassing door de Koning om de belastingvrije som na indexatie gelijk te stellen aan:
- EUR 14.450 voor aanslagjaar 2030 (geplande inwerkingtreding: 31 december 2028, toepassing vanaf aj. 2030)
- EUR 15.600 voor aanslagjaar 2031 (geplande inwerkingtreding: 31 december 2029, toepassing vanaf aj. 2031)
Het is de bedoeling dat dit bedrag nadien behouden blijft en jaarlijks geïndexeerd wordt.
De verhoging van de belastingvrije som geldt uitsluitend voor inkomsten uit arbeid. Dit gebeurt door een evenredige verlaging van de belastingvermindering voor pensioenen en andere vervangingsinkomsten, ter waarde van het voordeel dat voortvloeit uit de verhoogde belastingvrije som.
Tot slot zal de verhoging van de belastingvrije som in het jaar van huwelijk of wettelijk samenwonen worden geschrapt wanneer de partner beperkte bestaansmiddelen heeft. Deze wijziging treedt in werking vanaf aanslagjaar 2030.
Tweedepijlerpensioenen
Het regeerakkoord voorziet enerzijds in een verhoging van de maximumbijdragen en laat anderzijds ook toe dat zelfstandigen in bijberoep stortingen doen voor een VAPZ.
Initieel werd met de wet van 25 april 2024 een verhoging van het bijdragepercentage voor de maximumbijdrage ingevoerd, van 3% naar 6%, met inwerkingtreding op 1 januari 2028. Deze verhoging werd echter opnieuw ingetrokken naar aanleiding van de begrotingsgesprekken voor de periode 2025–2029.
De resultaten van deze begrotingsgesprekken zijn omgezet in concrete wetgeving, meer bepaald in de wet houdende diverse bepalingen van 18 december 2025 (categorie 1). Hierdoor werd de bestaande Wijninckx-bijdrage grondig hervormd. Vanaf bijdragejaar 2026 stijgt het tarief van de Wijninckx-bijdrage op tweedepijlerpensioenen (IPT, groepsverzekering, VAPZ, enz.) van 3% naar 12,5%.
Ook zijn er nog andere bijkomende wijzigingen bij de uitkering van tweedepijlerpensioenen:
- De verzekeraar/pensioeninstelling moet een ZIV-bijdrage van 3,55% inhouden.
- Vanaf 1 januari 2026 wordt de solidariteitsbijdrage vereenvoudigd naar een vast tarief van 2%, in plaats van de vroegere progressieve schaal van 0 tot 2%.
- Vanaf 1 juli 2027 komt daarbovenop een aanvullende solidariteitsbijdrage op het geheel van tweedepijlerpensioenkapitalen dat uitstijgt boven 150.000 EUR (te indexeren). Hierbij: worden alle kapitalen samengeteld, zowel uit werknemers- als zelfstandigenstelsels;
- Deze bijkomende bijdrage geldt enkel bij uitkeringen bij leven, niet bij overlijdensuitkeringen.
Hervorming of verlaging van de bijzondere sociale zekerheidsbijdrage
De bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid wordt verlaagd en aangepast zodat ze ‘single-proof’ is. Voor alleenstaanden levert dit een netto voordeel op van maximaal EUR 350 per jaar.
Momenteel behoort dit eveneens tot het wetsontwerp tot hervorming van de personenbelasting (categorie 2).
Versterking van de fiscale werkbonus
De fiscale werkbonus is een belastingvermindering die gekoppeld is aan de sociale werkbonus. Ze verlaagt de belastingdruk voor werknemers met lage lonen. Momenteel bedraagt de fiscale werkbonus 33,14% van de sociale werkbonus en voor zeer lage lonen geldt er een verhoogd percentage van 52,54%.
Volgens het wetsontwerp tot hervorming van de personenbelasting (categorie 2) zullen de volgende wijzigingen zich voordoen :
- Een algemene verhoging van 33,14% naar 35% dat in werking zal treden vanaf aanslagjaar 2029 ;
- Er komt een extra verhoging voor zeer lage lonen van 52,54% naar 63% vanaf aanslagjaar 2027 en van 63% naar 72% vanaf aanslagjaar 2029 ;
- Het maximumbedrag van het belastingkrediet zal stijgen van EUR 765 (voor indexatie) naar EUR 970.
Bezoldigingen voor vrijwillige overuren
Momenteel geldt er een tijdelijke regeling voor vrijwillige overuren waarbij het basiscontingent 100 vrijwillige overuren bedraagt, aangevuld met 120 relance-uren. De bezoldigingen voor deze 120 relance-uren zijn vrijgesteld van inkomstenbelasting, op voorwaarde dat deze uren onder de geldende voorwaarden uiterlijk binnen twee jaar na het presteren worden uitbetaald.
Volgens de wet van 31 juli 2023 en een amendement (categorie 1) wordt deze relanceregeling uitdrukkelijk van toepassing verklaard voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026. Daardoor geldt ook in deze periode een belastingvrijstelling voor de bezoldigingen die betrekking hebben op deze 120 vrijwillige relance-uren.
Vanaf 1 april 2026 geldt er een permanente regeling via het wetsontwerp tot hervorming van de personenbelasting en het wetsontwerp houdende diverse fiscale bepalingen (categorie 2) dat het volgende voorziet:
- Het maximaal aantal vrijwillige overuren dat kan worden gepresteerd bedraagt 360 uren per jaar.
- Van deze 360 uren worden 240 uren per jaar vrijgesteld van inkomstenbelasting.
- De vrijstelling geldt enkel indien er geen overwerktoeslag wordt betaald (i.e. enkel de gewone bezoldiging komt in aanmerking).
- De vrijgestelde bezoldigingen moeten verplicht worden vermeld op het aanslagbiljet.
- De voorwaarde dat de vrijstelling enkel geldt bij voltijdse tewerkstelling wordt geschrapt.
Voor de horecasector blijft een afzonderlijke regeling gelden:
- Het maximumaantal vrijwillige overuren dat in aanmerking komt voor belastingvrijstelling bedraagt 300 uren per jaar, of 360 uren indien de werkgever gebruikmaakt van een geregistreerd kassasysteem.
- De voorwaarde dat geen overwerktoeslag mag worden betaald, blijft eveneens hier van toepassing.
- Onder de permanente regeling (vanaf 1 april 2026) moeten de vrijwillige uren die onder de algemene regeling vallen in mindering worden gebracht van het maximum binnen de horecaregeling.
- Deze aangepaste regeling voor horeca is eveneens van toepassing op de overuren die vanaf 1 april 2026 worden gepresteerd.
Personen ten laste
Via de wet houdende diverse bepalingen van 18 december 2025 (categorie 1) zijn er verschillende wijzigingen doorgevoerd met betrekking tot de voorwaarden om als persoon ten laste te worden beschouwd. Deze treden in werking vanaf inkomstenjaar 2025 (aanslagjaar 2026).
Zoals eerder aangehaald wordt het geïndexeerde maximum aan netto-bestaansmiddelen om fiscaal ten laste te blijven voortaan eenvormig vastgesteld op EUR 12.000 voor alle kinderen ten laste.
Daarnaast worden volgende wijzigingen doorgevoerd:
- Genieters van een leefloon komen niet langer in aanmerking als persoon ten laste.
- Personen die beroepsinkomsten genieten waarvoor de belastingplichtige beroepskosten heeft, kunnen niet langer als persoon ten laste worden aangemerkt. Dit gold vroeger enkel voor bezoldigden, maar wordt nu uitgebreid naar alle beroepsinkomsten.
- Studiebeurzen die geen aanleiding geven tot de opbouw van al dan niet volledige sociale zekerheidsrechten worden niet langer als bestaansmiddelen beschouwd.
- Hierdoor zullen doctoraatsbeurzen voortaan wél als bestaansmiddelen moeten worden meegeteld.
Flexi-jobs
In de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen (categorie 1) wordt de belastingvrijstelling voor niet-gepensioneerden flexi-jobbers opgetrokken van EUR 12.000 naar EUR 18.000 vanaf inkomstenjaar 2025 (aanslagjaar 2026).
Bevriezing van de indexering van fiscale uitgaven
Tussen aanslagjaar 2026 en 2030 wordt de indexering van een reeks fiscale uitgaven tijdelijk opgeschort via de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen (categorie 1). De betrokken bedragen blijven gedurende deze periode dus behouden op het niveau van aanslagjaar 2025 en worden niet aangepast aan de inflatie.
Concreet gaat het om de bevriezing van de indexering van:
- Vrijgestelde eerste schijf van inkomsten uit:
- Spaardeposito’s: maximaal 1.020 EUR ;
- Dividenden: maximaal 833 EUR ;
- Interesten van erkende sociale ondernemingen: maximaal 200 EUR ;
- Leningen via een crowdfundingplatform waarvan de interesten zijn vrijgesteld: maximaal 16.270 EUR ;
- Fiscale korf voor de belastingvermindering voor langetermijnsparen : het maximale bedrag van de in aanmerking komende stortingen blijft 2.450 EUR ;
- Belastingvermindering voor de verwerving van werkgeversaandelen ;
- Belastingvermindering voor giften : het maximale aftrekbare bedrag blijft geplafonneerd op 408.130 EUR.
Vanaf aanslagjaar 2031 worden deze bedragen opnieuw geïndexeerd, zonder dat de indexatie voor de jaren 2026–2030 retroactief wordt ingehaald.
Opgelet er zijn een aantal uitzonderingen op de bevriezing :
- Pensioensparen: de bedragen voor pensioensparen worden nog wél geïndexeerd voor aanslagjaar 2026. De bevriezing treedt hier pas in werking vanaf aanslagjaar 2027.
- Werkgeversbijdrage woon-werkverkeer (niet-openbaar vervoer) : voor aanslagjaar 2026 wordt de indexatie eenmalig niet toegepast. Het maximumbedrag blijft dus — net zoals in AJ 2025 — 490 EUR. Ook deze éénmalige niet-indexering wordt later niet ingehaald.
- Belastingkrediet voor kinderen ten laste : het maximumbedrag wordt permanent bevroren op het bedrag van aanslagjaar 2025, namelijk 550 EUR.
Minder belastingverminderingen
Vanaf aanslagjaar 2026 verdwijnen verschillende belastingverminderingen en aftrekken in de personenbelasting. De maatregelen opgenomen in de wet houdende diverse bepalingen van 18 december 2025 (categorie 1) omvatten onder andere de schrapping van:
- PC privé plan ;
- Het bijkomend forfait voor verre verplaatsingen (werknemers die dagelijks een woon-werkafstand van meer dan 75 kilometer aflegden hadden hier recht op) ;
- De vrijstelling voor stage in de onderneming ;
- De vrijstelling voor bijkomend personeel voor de uitvoer en afdeling integrale kwaliteitszorg (bestaande vrijstelling wordt slechts behouden voor zover de aanwerving uiterlijk op 31 augustus 2025 plaatsvindt) ;
- De vrijstelling voor bijkomend personeel met een laag loon in KMO ;
- Belastingvermindering private privak ;
- Belastingvermindering verwerving elektrisch voertuig
- Belastingvermindering uitgaven ontwikkelingsfonds ;
- Belastingvermindering voor huisbediende
- Belastingvermindering adoptie ;
- Belastingvermindering rechtsbijstandverzekering zal worden geschrapt vanaf aanslagjaar 2026. Hiermee vervalt ook de verplichting voor de rechtsbijstandsverzekeraars om de fiscus jaarlijks te informeren over de door hen afgesloten verzekeringen vanaf 1 januari 2026
- Belastingvermindering laadstation.