Vennootschapsbelasting

Aan de voorwaarden m.b.t. de DBI-aftrek (aftrek van ontvangen dividenden) worden volgende wijzigingen aangebracht voor dividenden:

  • Participatievoorwaarde: 10% (ongewijzigd) of een minimumdeelneming van EUR 2,5 miljoen (ongewijzigd);

  • Indien de participatiedrempel van 10% niet wordt behaald, maar de grens van EUR 2,5 miljoen wel, dan moet de deelneming de aard van een "Financieel Vast Actief” (hierna : FVA) hebben. Deze voorwaarde geldt enkel in het geval waarbij de aandeelhouder een “grote vennootschap” is.

De aanpassing van de participatievoorwaarde heeft ook gevolgen voor de vrijstelling van meerwaarden op aandelen, aangezien voor de toepassing van deze vrijstelling integraal wordt verwezen naar de voorwaarden voor toepassing van de DBI-aftrek.

De nieuwe regels met betrekking tot de DBI-aftrek zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2026. De verstrengde voorwaarde voor de RV geldt pas vanaf 29 juli 2025. Deze regeling valt onder categorie 1 aangezien deze werd opgenomen in de programmawet van 18 juli 2025.

De DBI-aftrek, die we momenteel in de aangifte verwerken als een aftrek, zal in de toekomst omgevormd worden naar een vrijstelling. Deze zal in de aangifte worden opgenomen als een verhoging van de begintoestand van de reserves.

Die wijziging zou in principe tot gevolg kunnen hebben dat de DBI-vrijstelling automatisch overdraagbaar wordt naar volgende belastbare tijdperken. Momenteel is de DBI-aftrek immers niet overdraagbaar voor dividenden die afkomstig zijn van vennootschappen in landen buiten de EER, en waarbij er geen anti-discriminatiebepaling in het dubbelbelastingverdrag werd opgenomen met het respectievelijke land. Het is echter niet uitgesloten dat de toekomstige wetgeving de bestaande beperkingen qua overdraagbaarheid in een andere vorm behoudt, maar dat is momenteel nog onduidelijk.

Bovendien kan de DBI-aftrek momenteel niet in mindering worden gebracht van bepaalde verworpen uitgaven, de zogenaamde ‘besmette’ of ‘slechte’ verworpen uitgaven. Het zou kunnen dat deze beperking in de toekomst vervalt, nu de aftrek zal worden hervormd naar een vrijstelling. Ook hier is het behoud van de bestaande beperking in een andere vorm niet uit te sluiten. Deze regeling valt onder categorie 2, waarbij er momenteel binnen het kabinet van Minister van Financiën gewerkt wordt aan een ‘Voorontwerp van wet ter verbetering van het investeringsklimaat’.

DBI-beveks (of gereglementeerde beleggingsvennootschappen) genieten van een bijzonder fiscaal regime waardoor deze vennootschappen slechts op een beperkte basis belast worden. Andere voordelen van een DBI-bevek zijn dat ze niet moeten voldoen aan (1) de houdbaarheids- en (2) minimumparticipatievoorwaarde om de toepassing van de DBI-aftrek te bekomen. De taxatievoorwaarde wordt geacht vervuld te zijn indien de DBI-bevek minstens 90% van haar netto-inkomsten wederuitkeert en deze inkomsten voortkomen uit “goede aandelen”. Vennootschappen die beleggen in een DBI-bevek kunnen toepassing maken van de DBI-aftrek voor dividenden die ze ontvangen vanuit de DBI-bevek en kunnen genieten van een vrijstelling van de meerwaarden die ze realiseren op de investering in de DBI-bevek. De DBI-aftrek en/of vrijstelling van meerwaarden op aandelen geldt enkel voor zover de inkomsten en/of de meerwaarden voortkomen uit DBI-gerechtigde inkomsten. 

Het federale regeerakkoord kondigde twee maatregelen aan om het fiscale voordeel voor vennootschappen die investeren in DBI-beveks enigszins af te romen: (1) de meerwaarde bij uitstap uit een DBI-bevek zal belast worden aan een tarief van 5% (exit-taks), voor zover die meerwaarde voorkomt uit DBI-gerechtige inkomsten; (2) de RV op uitgekeerde dividenden zal enkel verrekenbaar zijn in de vennootschapsbelasting als de ontvangende vennootschap de minimale bedrijfsleidersbezoldiging (momenteel : EUR 45.000, verwachte stijging : EUR 50.000) toekent in het jaar van ontvangst. Vennootschappen die beleggen in een DBI-bevek zullen hiermee dus rekening moeten houden. Zoniet zal de ingehouden RV niet langer een voorschot op hun uiteindelijke vennootschapsbelasting zijn, maar een bijkomende fiscale last worden.

De definitieve uitwerking is nu opgenomen in de wet houdende diverse bepalingen (categorie 1). De afzonderlijke aanslag van 5% is van toepassing op meerwaarden die gerealiseerd worden op aandelen van DBI-beveks, vastgoed-DBI-beveks, gereglementeerde vastgoedvennootschappen (GVV) en bepaalde buitenlandse vennootschappen. Deze aanslag geldt uitsluitend voor het gedeelte van de vrijgestelde meerwaarde. De voorwaarde hierbij is dat op de dividenden in het verleden effectief de DBI-aftrek werd toegepast.

Voor dividenden die genieten van de DBI-aftrek geldt dat de RV enkel kan worden verrekend indien de verkrijgende vennootschap tijdens het belastbare tijdperk een minimale bedrijfsleidersbezoldiging toekent (zie eerder). Voor erkende coöperatieve vennootschappen geldt deze verplichting niet.

Tot slot gelden de bepalingen vanaf aanslagjaar 2026. Wijzigingen aan het boekjaar na 3 februari 2025 worden (weerlegbaar) vermoed te zijn bedoeld om de toepassing van de aanslag te vermijden en blijven dan ook zonder uitwerking. 

In het regeerakkoord werd aangekondigd dat de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting zouden worden aangepast. Het verlaagd tarief van 20% vennootschapsbelasting op de 1ste schijf van EUR 100.000 belastbaar inkomen is aan een aantal voorwaarden onderworpen.

Eén daarvan is dat aan ten minste één bedrijfsleider (natuurlijk persoon) een bezoldiging toegekend wordt van EUR 45.000 (indien deze bezoldiging lager is dan EUR 45.000, moet ze gelijk zijn of hoger zijn dan het belastbaar inkomen van de vennootschap).

Er werd aangekondigd dat deze minimale bezoldiging zal verhoogd worden naar EUR 50.000 en onderhevig zal zijn aan een jaarlijkse indexatie. Tevens, zou de bedrijfsleidersbezoldiging voortaan voor maximaal 20% uit voordelen alle aard mogen bestaan. Aanvullende bonussen blijven wel toegestaan. Het is niet duidelijk of dit maximum aan voordelen alle aard enkel zal gelden voor de beoordeling van de minimale bedrijfsleidersbezoldiging als voorwaarde voor het toepassen van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting, dan wel een bredere invulling zal krijgen.

De voorgenomen verstrenging van de voorwaarde om van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting te kunnen gebruik maken, past in een breder kader om de “vervennootschappelijking” tegen te gaan. Deze regeling valt onder categorie 2 en maakt deel uit van het wetsontwerp tot hervorming van de personenbelasting.

Voor activa verkregen of tot stand gebracht vanaf 1 januari 2025 treedt er een vernieuwd kader voor de toepassing van de investeringsaftrek in werking. De vroegere beperkingen, zoals de begrensde jaarlijkse aanwending en de beperkte overdraagbaarheid van niet-benutte aftrek, verdwijnen volledig. Eveneens vervalt het cumulverbod om de verhoogde thematische aftrek te combineren met de gewestelijke staatssteun. Ook geldt het cumulverbod van het belastingkrediet inzake onderzoek en ontwikkeling (hierna : O&O) en de investeringsaftrek enkel voor de technologieaftrek en dus niet voor de verhoogde thematische aftrek.

Daarnaast worden de aftrekpercentages aangepast: een basisaftrek van 10% voor kleine vennootschappen, verdubbeld tot 20% voor digitale investeringen (enkel voor kleine vennootschappen), een technologieaftrek van 13,5% eenmalig of 20,5% gespreid voor O&O op basis van het afschrijvingsritme en vanaf aanslagjaar 2027 een verhoogde thematische aftrek van 40% (voor aanslagjaar 2026: 30% voor grote vennootschappen en 40% voor kleine vennootschappen) voor zowel kleine als grote vennootschappen. De specifieke aftrek van 30% voor zeeschepen blijft behouden.

Ook de administratieve lasten verminderen: de gewestelijke attesteringsverplichting voor O&O vervalt en ondernemingen kunnen erkenning krijgen als onderzoekscentrum. Belspo en FOD Financiën werken aan verduidelijkingen rond de definitie van O&O. Tot slot wordt de aanvraagtermijn voor attesten eenmalig verlengd tot 30 juni 2026 en komt er een nieuwe webtoepassing om aanvragen te verwerken.

Deze regeling valt onder categorie 1 en is opgenomen in het Koninklijk Besluit van 28 juli 2025.

Het regeerakkoord kondigt wijzigingen aan het groepsbijdrageregime (i.e. de zogenaamde fiscale consolidatie) aan:

  • De toepassing van de groepsbijdrage zou niet alleen meer mogelijk zijn bij rechtstreekse participaties, maar ook bij onrechtstreekse participaties. Zo zou een holding niet enkel het fiscaal verlies van een rechtstreekse dochtervennootschap in mindering kunnen brengen, maar ook fiscale verliezen van vennootschappen op een lager niveau in de groepsstructuur.

  • Nieuwe vennootschappen, namelijk diegene die minder dan 5 jaar de vereiste onderlinge verbondenheid kennen, zouden niet langer uitgesloten zijn. Of de minimumtermijn van 5 jaar geschrapt wordt, dan wel in minder strenge vorm behouden zal blijven, is momenteel nog niet duidelijk.

  • De DBI-aftrek zou ook toegepast kunnen worden op winst die voortkomt uit een groepsbijdrage.

 

Op dit moment staat er in de wet houdende diverse bepalingen (categorie 1) dat de DBI-aftrek correct zal kunnen worden toegepast in situaties waar een groepsbijdrage wordt gebruikt. Meer bepaald zal de DBI-aftrek van het jaar kunnen worden toegepast op het gedeelte van het bedrag van de groepsbijdrage dat het negatieve resultaat, vastgesteld vóór de opname van de groepsbijdrage in de belastbare grondslag van het belastbare tijdperk, overschrijdt. Met andere woorden zal er onder invloed van de DBI-aftrek geen ander resultaat worden bereikt dan wanneer de dividenden vanaf het begin af aan van de winst worden vrijgesteld. Die regeling treedt inwerking vanaf 9 januari 2026.

Tot slot vallen de andere hierboven beschreven hervormingen onder categorie 2 (‘Voorontwerp van wet ter verbetering van het investeringsklimaat’).

Het formulier 270MLH, dat sinds aanslagjaar 2024 verplicht toe te voegen is bij de aangifte opdat huurkosten als aftrekbare beroepskosten zouden kwalificeren, zou vervangen worden door een administratief eenvoudiger alternatief.

In dit alternatief zal er rekening gehouden worden met de informatie waarover de administratie reeds beschikt. Dit zou tegemoetkomen aan de kritiek dat het bestaande formulier 270 MLH in te veel situaties moet ingediend worden, bv. ook voor de verhuur van een onroerend goed (buiten toepassing van btw) waarbij huurder en verhuurder beiden een vennootschap zijn.

Tot op heden is er nog geen nieuws beschikbaar over een wetgevend initiatief. We houden u verder op de hoogte zodra dit verder in het Parlement zal worden behandeld.

Afschaffing verdere aanleg voorziening voor sociaal passief 

De mogelijkheid om nog een bijkomende, fiscaal vrijgestelde voorziening voor sociaal passief aan te leggen is afgeschaft sinds 30 september 2025. Deze was indertijd ingevoerd n.a.v. de gelijkschakeling van het statuut van arbeiders en bedienden en de stijging van de kost van mogelijke opzegvergoedingen.

Die regeling valt onder categorie 1 en is opgenomen in de wet houdende diverse bepalingen van 18 december 2025.

Afschaffing gunstregime van belasting op meerwaarden op bedrijfsvoertuigen             

Het stelsel van tijdelijke vrijstelling van meerwaarden op voertuigen, aangewend voor bezoldigd personenvervoer of goederenvervoer, wordt beëindigd. Deze vrijstelling kan niet meer worden toegepast voor meerwaarden gerealiseerd na 31 augustus 2025.

Dit betreft eveneens categorie 1 - zie de wet houdende diverse bepalingen van 18 december 2025.

Versnelde afschrijvingen

Investeringen in onderzoek en ontwikkeling, defensie en energietransitie zullen versneld afgeschreven kunnen worden tegen 40% in het jaar van aanschaffing.

KMO’s zullen opnieuw degressief kunnen afschrijven.

Deze regeling valt onder categorie 2, waarbij er momenteel binnen het kabinet van Minister van Financiën gewerkt wordt aan een ‘Voorontwerp van wet ter verbetering van het investeringsklimaat’.

Tijdelijk verhoogde fiscale aftrek voor elektrische bestelwagens en vrachtwagens

Er zal tijdelijk een verhoogde aftrek komen voor elektrische bestel- en vrachtwagens. Het is onduidelijk of de recent ingevoerde investeringsaftrek fiscaal interessanter zal worden dan wel of bepaalde kosten aan een verhoogd percentage in mindering van het belastbaar resultaat zullen gebracht kunnen worden.

Hier is er nog geen nieuws beschikbaar over een wetgevend initiatief. We houden u verder op de hoogte zodra dit verder in het parlement zal worden behandeld.

 

Maaltijd-, eco- en cultuurcheques 

Vanaf 1 januari 2026 (via het amendement 56-0963/27) worden de bedragen van maaltijdcheques verhoogd, zoals vastgelegd (categorie 1) in de wet van 18 december 2025. Het maximumbedrag per maaltijdcheque stijgt van 8 euro naar 10 euro per gewerkte dag en de maximale werkgeversbijdrage gaat van 6,91 euro naar 8,91 euro. Ook de fiscale aftrekbaarheid voor werkgevers wordt aangepast: de beroepskost die u mag aftrekken verdubbelt van 2 euro naar 4 euro per cheque, op voorwaarde dat u het verhoogde maximumbedrag uitbetaalt. Deze wijziging biedt zowel werknemers als werkgevers een voordeel, aangezien werknemers een hogere waarde per maaltijdcheque ontvangen en werkgevers genieten van een verhoogde fiscale aftrekbaarheid.

Daarnaast wordt er momenteel sociaal overleg gevoerd over een mogelijke afschaffing van eco- en cultuurcheques. Hierover is nog geen definitieve beslissing genomen. Zodra er meer duidelijkheid is, brengen wij u op de hoogte.

 

Schenkingen van goederen aan erkende instellingen 

Deze zouden in de toekomst fiscaal aftrekbaar worden, zoals nu reeds mogelijk is voor giften in geld.

Hierover is er nog geen nieuws beschikbaar over een wetgevend initiatief. We houden u verder op de hoogte zodra dit verder in het parlement zal worden behandeld.

 

Tax shelter voor audiovisuele producties en voorafbetalingen

In het regeerakkoord staat dat de vermeerdering bij onvoldoende voorafbetaling niet langer beïnvloed zal worden door het ondertekenen van een raamovereenkomst in het kader van een tax shelter voor audiovisuele producties. De juiste draagwijdte van deze maatregel is nog niet duidelijk.

Hierover is er nog geen nieuws beschikbaar over een wetgevend initiatief. We houden u verder op de hoogte zodra dit verder in het parlement zal worden behandeld.

De bestaande tax shelters voor starters en groeibedrijven zullen worden samengevoegd en uitgebreid. Deze regeling valt onder categorie 2, waarbij er momenteel binnen het kabinet van de Minister van Financiën gewerkt wordt aan een ‘Voorontwerp van wet ter verbetering van het investeringsklimaat’.

 

Transfer pricing verplichtingen

In het regeerakkoord staat ook dat de transfer pricing documentatie, die aantoont dat verbonden ondernemingen een correcte prijszetting voor hun onderlinge transacties toepassen, vereenvoudigd en beperkt zou worden tot de essentiële elementen. Deze vereenvoudiging zou in hoofdzaak betrekking hebben op kleine en middelgrote ondernemingen.

Hierover is er nog geen nieuws beschikbaar over een wetgevend initiatief. We houden u verder op de hoogte zodra dit verder in het parlement zal worden behandeld.

 

Hervorming maximale fiscaal vrijgestelde opbouw extralegale pensioenen

De opbouw van een extralegaal pensioen (groepsverzekering, IPT ...) kan fiscaal slechts vrijgesteld worden indien o.a. de zgn. “80% grens” wordt gerespecteerd. Deze grens houdt o.m. rekening met de loopbaan, alle opgebouwde extralegale pensioenen, overdraagbaarheid van de pensioenrente enz. 

Deze regel zal worden hervormd, maar verdere details ontbreken vooralsnog. We houden u verder op de hoogte zodra er wetgevende initiatieven in het parlement zullen worden behandeld.

 

Heffing op bovenmatige voordelen van alle aard

De federale regering heeft in het wetsontwerp tot hervorming van de personenbelasting (categorie 2) een nieuwe regeling opgenomen die bedoeld is om het toekennen van bovenmatige voordelen van alle aard aan werknemers en bedrijfsleiders te ontmoedigen.

Wanneer een werkgever of vennootschap voordelen van alle aard toekent – zoals bedrijfswagens, goedkope leningen, gratis of goedkope huisvesting, aandelenopties enz. – en deze voordelen meer bedragen dan 20% van de totale bezoldiging tijdens het belastbaar tijdperk, dan wordt het deel boven die grens van 20% als bovenmatig beschouwd. Op dit bovenmatige gedeelte wordt een afzonderlijke aanslag van 7,5% ingevoerd.

Dit is een maatregel die wordt ingevoerd in de personenbelasting in hoofde van de werkgevers/ exploitanten en werkgevers/ beoefenaars van vrije beroepen op het bovenmatig deel van de voordelen toegekend aan hun werknemers.

In de vennootschapsbelasting neemt zij de vorm aan van een afzonderlijke aanslag van 7,5% ten aanzien van vennootschappen op het bovenmatig deel van de voordelen die ze toekennen aan hun werknemers. Indien een kleine vennootschap bovenmatige voordelen toekent aan haar bedrijfsleiders, zal er geen afzonderlijke aanslag van 7,5% worden gevestigd. Wel geldt er een andere belangrijke sanctie: de vennootschap verliest het recht op het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting. 

De beoordeling gebeurt telkens per categorie – werknemers enerzijds en bedrijfsleiders anderzijds – en er is geen mogelijkheid tot compensatie tussen beide groepen.

De nieuwe regeling zou van kracht zijn vanaf aanslagjaar 2027.