article banner
Direct tax

Bedrijfswagens en fiscaliteit – update

Thalia Stinissen Thalia Stinissen

De inkt van ons vorige artikel in verband met de fiscale regels rond bedrijfswagens[1] is net droog, maar de vele evoluties lenen zich al tot een volgende editie. Dit keer willen we verder ingaan op de laadstations, elektriciteitskosten en enkele capita selecta.

Investeringen in elektrische laadstations

Aanpassingen verhoogde kostenaftrek

We gaven al mee dat er voorzien is in een fiscale stimulans voor ondernemingen die publiek toegankelijke laadstations installeren. De afschrijvingen op investeringen gedaan tot en met 31 maart 2023 (voorheen 31 december 2022) zijn voor 200% aftrekbaar. Voor investeringen gedaan tussen 1 april 2023 en 31 augustus 2024 bedraagt de aftrek 150%. Het is daarnaast niet meer nodig om het laadstation aan te melden bij de FOD Financiën.

Geen combinatie verhoogde kostenaftrek en investeringsaftrek

De gewone eenmalige investeringsaftrek voor KMO’s bedraagt 25% voor activa verkregen of tot stand gebracht tot 31 december 2022 en nadien opnieuw 8%. Initieel kon deze aftrek in principe gecombineerd worden met de hogervermelde verhoogde kostenaftrek voor de elektrische laadstations. Nieuwe wetgeving bepaalt nu echter expliciet dat dat niet het geval is.

Toepassing investeringsaftrek

De verhoogde kostenaftrek is echter niet altijd toepasbaar. Wanneer een werkgever bijvoorbeeld de kosten draagt van de installatie van een laadstation bij een werknemer of bedrijfsleider thuis, kunnen we er wellicht van uitgaan dat er geen publieke toegankelijkheid is en dat de investering dus niet in aanmerking komt. Ook in bedrijfsgebouwen is de publieke toegankelijkheid niet altijd een optie. Is de toepassing van de investeringsaftrek in dat geval wel mogelijk?

Voor een laadstation bij een werknemer of bedrijfsleider thuis, is dat helaas niet het geval. De investeringsaftrek kan niet toegepast worden voor activa waarvan het gebruiksrecht is overgedragen aan een derde (anders dan door leasing, erfpacht, opstal of een gelijkaardig onroerend recht), tenzij die derde zelf in aanmerking komt voor de investeringsaftrek.

Een laadstation dat in de bedrijfsgebouwen van de vennootschap geïnstalleerd wordt, komt wel in aanmerking indien aan de andere voorwaarden van de investeringsaftrek voldaan is. Dit geldt zowel wanneer het station gebruikt wordt door werknemers en bedrijfsleiders voor het opladen van hun bedrijfs- of privéwagens, als wanneer het door klanten gebruikt wordt. Wanneer het bedrijfsgebouw en de privéwoning van de bedrijfsleider echter een en dezelfde zijn en eigendom zijn van de bedrijfsleider, geldt dit niet want dan is de Minister van Financiën van mening dat het gebruik overgedragen wordt aan de bedrijfsleider.

Elektriciteit betaald door de werkgever – voordeel van alle aard?

Een andere situatie zien we wanneer de werknemer thuis zijn wagen oplaadt en een terugbetaling van de elektriciteitskosten ontvangt van zijn werkgever.

Het voordeel alle aard voor het privégebruik van een bedrijfswagen omvat in principe zowel het gebruik van de wagen als de brandstofkosten, meestal ter beschikking gesteld onder de vorm van een tankkaart. Wil dit zeggen dat de terugbetaalde elektriciteit ook inbegrepen is in dit forfaitaire voordeel?

Het antwoord van de Minister van Financiën is opnieuw negatief. Enkel onder strikte voorwaarden vormen de door de werkgever gedragen elektriciteitskosten geen apart voordeel alle aard,  namelijk wanneer er een verifieerbaar communicatiesysteem is dat het verbruik communiceert aan de werkgever en de car policy van de firma hierop aangepast is.

Elektriciteit betaald door de werknemer – eigen bijdrage?

De veelheid aan opties voor de regeling van elektriciteitskosten omvat ook de situatie waarin de werknemer een elektrische bedrijfswagen ter beschikking krijgt, maar zelf de elektriciteitskosten draagt. In dat geval kan de vraag gesteld worden of deze kost, in wezen een eigen bijdrage gedaan door de werknemer, mag worden afgetrokken van het in zijn hoofde belastbaar voordeel alle aard voor het privégebruik van de wagen. De fiscus is van mening dat dat niet het geval is.

Capita selecta

Renting en operationele lease: opgelet bij doorverkoop van de wagen

De Minister van Financiën legde onlangs in het antwoord op een parlementaire vraag een bijzondere bijwerking bloot van de doorverkoop van wagens die het voorwerp waren van een rentingcontract. Specifiek betreft het de situatie waarin de vennootschap na afloop van de termijn de wagen overneemt, opnieuw doorverkoopt en daarbij een meerwaarde realiseert.

Meerwaarden op personenwagens zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting in de mate dat de afschrijvingen op de wagen verworpen werden. In tegenstelling tot bij een financiële lease wordt de wagen bij renting echter niet op de balans geboekt. Indien de aan- en verkoop van de wagen vervolgens in hetzelfde jaar gebeuren, is er dus nooit afgeschreven op de wagen en is de meerwaarde – aldus de Minister – volledig belastbaar.

‘Luxewagens’ en de fiscus

Dat de fiscus geen fan is van dure wagens in een vennootschap weten we al langer. Doorgaans wordt de aftrekbaarheid van dergelijke kosten betwist op basis van het argument dat ze overdreven zouden zijn.

In een geval waarin een wagen gebruikt werd door de partner van de bedrijfsleider, gooiden de fiscus en het Hof van Beroep van Luik het eerder dit jaar over een andere boeg en werd de aftrek geweigerd omdat niet voldaan was aan de algemene voorwaarde dat de kosten gedaan moeten worden om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. Lonen en voordelen betaald aan het personeel of de bedrijfsleiders voldoen hieraan enkel wanneer ze werkelijk verrichte prestaties vergoeden. Deze voorwaarde vormt vaak een discussiepunt bij tweede verblijven aangehouden door een vennootschap en ter beschikking gesteld aan de bedrijfsleider, maar in het kader van wagens kan dit argument dus ook ingeroepen worden.

 

 

 

[1] De term ‘bedrijfswagen’ omvat nogmaals personenwagens, auto’s voor dubbel gebruik en minibussen, met inbegrip van ‘valse’ lichte vrachtauto’s (dit wil zeggen, lichte vrachtauto’s die niet voldoen aan de fiscale definitie van lichte vracht).