Onder invloed van de Europese Anti Tax Avoidance Directive bracht de tweede fase van de hervorming vennootschapsbelasting een nieuwe regel rond aftrekbaarheid van interesten met zich mee, in de praktijk vaak de ‘EBITDA-regel’ genoemd. Netto-interestlasten (het zogenaamde ‘financieringskostensurplus’) zijn niet aftrekbaar in de mate dat ze de hoogste van 2 grenzen overschrijden: (i) 30% van de fiscale EBITDA of (ii) 3 miljoen euro.

Door deze hoge grens lijkt de EBITDA-regel in eerste instantie misschien niet van belang voor uw vennootschap(pen), maar er zitten enkele addertjes onder het gras.

Belangrijke aandachtspunten

Belangrijk om weten is dat – in tegenstelling tot de oude onderkapitalisatieregels (zie verder) – de EBITDA-regel niet enkel interesten tussen groepsvennootschappen viseert, maar alle interesten en economisch gelijkwaardige bedragen, waaronder dus ook interest betaald aan banken.   

Een tweede aandachtspunt is dat de EBITDA-regel op alle Belgische vennootschappen en vaste inrichtingen in een groep als geheel van toepassing is, wat onder meer inhoudt dat de grens van 3 miljoen euro onder hen moet worden verdeeld.

Toepassingsgebied

Deze wetgeving is van toepassing vanaf aanslagjaar 2020, verbonden aan een boekjaar dat start op of na 1 januari 2019.

Leningcontracten die gesloten zijn vóór 17 juni 2016 en nadien niet fundamenteel gewijzigd werden, zijn uitgesloten. Fundamentele wijzigingen zijn onder meer een wijziging van de duurtijd, het bedrag of de interestvoet van de lening, alsook de herfinanciering ervan. De oude leningen blijven wel onderworpen aan de vroegere onderkapitalisatiewetgeving.[1] Om van deze uitsluiting te kunnen genieten, moet de vennootschap een extra bijlage toevoegen aan de aangifte vennootschapsbelasting.

De EBITDA-regel is bovendien niet van toepassing op een vennootschap die geen deel uitmaakt van een groep van vennootschappen, geen buitenlandse inrichtingen heeft en die geen:

  • (on)rechtstreekse deelneming[2] van minstens 25% aanhoudt in een andere vennootschap;
  • natuurlijke persoon of rechtspersoon als aandeelhouder heeft die (on)rechtstreeks een deelneming[3] aanhoudt van minstens 25% in deze vennootschap en in een andere vennootschap.

Financieringskostensurplus en fiscale EBITDA

Wat is nu precies het financieringskostensurplus? Voor de EBITDA-regel wordt niet enkel gekeken naar de betaalde/toegekende interest, maar naar het positieve verschil tussen de interestkosten en de interestopbrengsten, alsook de economisch gelijkwaardige kosten en opbrengsten.

De EBITDA die gehanteerd wordt voor de toepassing van deze regel, is niet de boekhoudkundige term zoals we die kennen, maar een fiscaal gecorrigeerde EBITDA.

Bijzondere regels voor een groep van vennootschappen

We haalden al aan dat binnen een groep van vennootschappen de EBITDA-regel ‘geconsolideerd’ moeten worden toegepast. Dit houdt in dat bij de berekening van het financieringskostensurplus,  interesten die verschuldigd zijn aan of door een binnenlandse groepsvennootschap of vaste inrichting niet mee in aanmerking genomen worden. Bij het bepalen van de fiscale EBITDA worden de kosten en opbrengsten verschuldigd aan of door een binnenlandse vennootschap of vaste inrichting eveneens geneutraliseerd.

Daarnaast geldt, zoals hoger vermeld, de grens van 3 miljoen euro voor alle Belgische groepsvennootschappen samen. Deze grens kan op drie manieren verdeeld worden:

  • Evenredig (gedeeld door aantal groepsvennootschappen)
  • A rato van het financieringskostensurplus van elke vennootschap
  • Op basis van een complexe 4-stappenberekening op basis van de fiscale EBITDA van de groepsvennootschappen

Het behoeft geen verklaring dat de eerste en tweede methode voor de meeste Belgische vennootschappen het eenvoudigste is. Beide vereisen wel een overeenkomst die gesloten wordt door alle Belgische groepsvennootschappen samen en die toegevoegd wordt aan de aangifte vennootschapsbelasting van één van hen.

Tot slot is het binnen een groep mogelijk voor 2 vennootschappen om een interestaftrekovereenkomst te sluiten, waarbij de ene vennootschap onbenutte aftrekcapaciteit overdraagt aan de andere.

Conclusie

België heeft de EBITDA-regel op een ruime manier geïmplementeerd door de ‘de-minimis’-grens op 3 miljoen euro te zetten in plaats van bijvoorbeeld 1 miljoen euro. Hierdoor zullen heel wat Belgische vennootschappen en groepen buiten schot blijven. Gelet op de complexiteit en het formalistisch karakter van de maatregel, is het echter toch nuttig om er even bij stil te staan. Wanneer er bijvoorbeeld hoge bankschulden zijn en/of een groot aantal Belgische vennootschappen, kan er toch een impact zijn of kan het nodig zijn om bepaalde overeenkomsten te sluiten.

 

 

[1] Wanneer het totaal van de leningsschulden aan groepsvennootschappen hoger is dan vijf maal het eigen vermogen van de vennootschap, is de interest op het surplus niet aftrekbaar.

[2] Kapitaalbezit, stemrechten of winstrechten.

[3] Kapitaalbezit, stemrechten of winstrechten.