Direct Tax

De saga van de minimumbezoldiging: een stand van zaken

Frederik De Graeve Frederik De Graeve

Uit onze eerdere blogs van maart en juni herinnert u zich vast nog het belang van het toekennen van een bezoldiging van (minstens) €45.000 aan een bedrijfsleider-natuurlijk persoon. Er is ondertussen al veel inkt gevloeid over dit aspect zodat wij het zinvol achten u te informeren over de stand van zaken. U zal merken dat de praktische uitwerking niet altijd evident is en dat helaas ook nog niet alle onduidelijkheden zijn weggewerkt.

Even ter herinnering: de basisvoorwaarde is (en blijft) dat een vennootschap een bezoldiging van (minstens) €45.000 moet betalen aan (minstens) één bedrijfsleider-natuurlijk persoon. Als aan deze voorwaarde niet is voldaan, dan kan de vennootschap sowieso niet genieten van het zogenaamde (verlaagd) kmo-tarief inzake vennootschapsbelasting. Bovendien zal deze vennootschap dan onderworpen worden aan een bijkomende heffing (p.m. deze bijkomende heffing is van toepassing op alle vennootschappen, dus niet enkel de kmo’s).

Bij wijze van afwijking van de voormelde basisvoorwaarde mag er een lagere bezoldiging worden toegekend aan een bedrijfsleider-natuurlijk persoon op voorwaarde dat die lagere bezoldiging dan minstens gelijk is aan het belastbaar resultaat. De Administratie hanteert hierbij een zogenaamde ‘50%-regel’: ‘alleen wanneer het belastbare inkomen van de vennootschap, vóór aftrek van de bedrijfsleidersbezoldiging, €90.000 of meer bedraagt, is het vereist dat er minstens een bedrijfsleidersbezoldiging van €45.000 toegekend wordt’. Indien het resultaat kleiner is, is de vereiste minimumbezoldiging gelijk aan het belastbaar resultaat verhoogd met de effectief toegekende bezoldiging gedeeld door 2.

Voorbeeld: Indien het belastbaar resultaat €60.000 is en de toegekende bezoldiging €10.000, dan bedraagt de afzonderlijke aanslag principieel €1.275 ofwel (€70.000/2 - €10.000) x 5,1%.

De Minister heeft recent bevestigd dat deze rekenwijze ook geldt wanneer de bezoldiging bestaat uit forfaitaire gewaardeerde voordelen van alle aard (waarbij de kostprijs dus niet overeenkomt met de belastbare bezoldiging). Met andere woorden, indien in bovenstaand voorbeeld de bedrijfsleider belast wordt op een forfaitair voordeel van €10.000 ingevolge het privégebruik van een woning, dan bedraagt de afzonderlijke aanslag eveneens €1.275 (ondanks het feit dat dit forfaitair voordeel op zich uiteraard geen ‘kost’ vormt en zonder rekening te houden met de werkelijke kosten die uiteraard afwijken van het bedrag van het forfaitaire voordeel).

De effectief verschuldigde aanslag zal in principe iets kleiner zijn aangezien er sprake is van een zogenoemde ‘iteratieve berekening’. Immers, deze aanslag is – in tegenstelling tot de gewone vennootschapsbelasting – fiscaal aftrekbaar. Met andere woorden, door het boeken van de afzonderlijke aanslag (via de fiscale provisie) daalt het belastbaar resultaat en daalt dus ook de verschuldigde aanslag waardoor het belastbaar resultaat weer stijgt, enz.

Vennootschappen die geen bezoldiging uitkeren of die enkel door andere vennootschappen bestuurd worden, zullen dus voor aanslagjaar 2019 een bijkomende belasting betalen van – afhankelijk van het belastbaar resultaat – maximaal €2.295.

Indien er geen belastbaar resultaat is, dan is de afzonderlijke aanslag niet verschuldigd. Let wel, in bepaalde gevallen is er sprake van een minimale belastbare grondslag, bijvoorbeeld 40% van de toegekende voordelen alle aard voor firmawagens. Het belastbaar resultaat kan ook nog stijgen ingevolge een fiscale controle, wat dus bijkomend aanleiding zal geven tot (een verhoging van) de afzonderlijke aanslag.

Een groep van vennootschappen die (1) verbonden zijn (cfr. artikel 11 W.Venn.) en (2) waarvan minstens de helft van hun bedrijfsleiders dezelfde natuurlijke personen zijn, kan de afzonderlijke aanslag vermijden door aan één van diezelfde personen een bezoldiging van minstens €75.000 te betalen. Indien de gezamenlijke bezoldiging kleiner is, dan is de afzonderlijke aanslag slechts éénmaal verschuldigd (in plaats van voor elke vennootschap). De afzonderlijke aanslag wordt dan berekend in functie van het minimum van €75.000 en is verschuldigd door de vennootschap met het hoogste belastbaar resultaat (tenzij deze individueel wel voldoet aan de minimum-bezoldigingsvoorwaarde).

Het is voornamelijk de afwijkende regeling voor verbonden vennootschappen die nog veel vragen oproept: bijvoorbeeld wat indien de boekjaren van de vennootschappen onderling verschillen of wat met bezoldigingen uit een verbonden buitenlandse vennootschap? Deze groepsbenadering heeft trouwens enkel betrekking op (het vermijden van) de afzonderlijke aanslag. Voor de toepassing van het verlaagd tarief dient elke verbonden vennootschap individueel te voldoen aan de minimum-bezoldigingsvoorwaarde (van €45.000).

De vraag of het verhogen van de bedrijfsleidersbezoldiging en/of het reorganiseren van een groep en zijn mandaten zinvol is, zal niet altijd eenvoudig zijn en is afhankelijk van diverse factoren. We evalueren graag samen met u alle feitelijke elementen en beantwoorden aan de hand daarvan graag uw vragen.