Eind 2020 is voor vennootschappen (en voor in België belastbare vaste inrichtingen van buitenlandse vennootschappen) het fiscaal gunstregime van de ‘wederopbouwreserve’ ingevoerd. Deze wederopbouwreserve werd initieel aangekondigd samen met de zogenaamde ‘carry-back’ regeling voor fiscale verliezen, maar beide maatregelen werden uiteindelijk van elkaar losgekoppeld in de loop van het wetgevend proces. De carry-back regeling werd reeds goedgekeurd in juni 2020. Voor de wederopbouwreserve was het wachten tot december 2020.
Zakelijke rechten zijn al decennia populair bij ondernemingen. Uiteraard omwille van de mogelijkheden om investeringen te doen met bruto gelden in de vennootschap en om fiscaal te optimaliseren (ook inzake vermogensplanning tussen generaties), maar evengoed omwille van diverse economische redenen. Door een gesplitste eigendom wordt immers mogelijk niet de volle eigendom blootgesteld aan het ondernemersrisico. Een zakelijk recht vraagt vaak ook een kleinere financieringslast dan volle eigendom. Bovendien zal het - in snel wijzigende omstandigheden – vaak volstaan om via tijdelijke rechten het gebruik van een bedrijfspand te verzekeren, enz. Recentelijk werd ook het goederenrecht gemoderniseerd. In die optiek staan we even stil bij de mogelijkheden en de impact van de nieuwe wetgeving.
U heeft er wellicht al van gehoord, de ‘nieuwe’ taks op effectenrekeningen. Hoewel op dit moment de Kamer het wetsontwerp nog finaal moet goedkeuren, is het vrij zeker dat de taks er zal komen. Maar wat houdt deze nieuwe taks op effectenrekeningen in en waarin verschilt deze van zijn voorganger? Het zou alleszins niet de bedoeling zijn om de oude effectentaks te remediëren in functie van het arrest van het Grondwettelijk Hof, maar wel om een nieuwe ‘abonnementstaks’ in te voeren op basis van een nieuwe set aan principes.
Onder invloed van de Europese Anti Tax Avoidance Directive bracht de tweede fase van de hervorming vennootschapsbelasting een nieuwe regel rond aftrekbaarheid van interesten met zich mee, in de praktijk vaak de ‘EBITDA-regel’ genoemd. Netto-interestlasten (het zogenaamde ‘financieringskostensurplus’) zijn niet aftrekbaar in de mate dat ze de hoogste van 2 grenzen overschrijden: (i) 30% van de fiscale EBITDA of (ii) 3 miljoen euro. Door deze hoge grens lijkt de EBITDA-regel in eerste instantie misschien niet van belang voor uw vennootschap(pen), maar er zitten enkele addertjes onder het gras.
Werkgevers kunnen aan hun werknemers die als gevolg van de Covid-19-crisis tijdelijk thuiswerken een forfaitaire thuiswerkvergoeding toekennen. Deze vergoeding dekt allerlei kleine kosten die verband houden met thuiswerk en is, mits aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, vrijgesteld van belastingen en sociale zekerheidsbijdragen. Er is geen specifieke thuiswerkovereenkomst nodig om deze vergoeding te betalen.
Terwijl het land zich in lockdown bevond, heeft het Parlement op 16 april 2020 een reparatiewet gestemd inzake het op 1 mei 2019 in werking getreden Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV). Deze reparatiewet, die in werking is getreden op 6 mei 2020, gaat op het eerste zicht vooral over de omzetting van de Europese richtlijn inzake de bevordering van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders. In haar staart bevat deze wet evenwel diverse bepalingen inzake vennootschappen en verenigingen die een aantal niet onbelangrijke aanpassingen en reparaties aan het WVV doorvoeren. In deze korte bijdrage wordt niet ingegaan op de bepalingen inzake de richtlijn, noch op de louter technische/tekstuele wijzigingen die worden aangebracht door de reparatiewet. Wel geven we een kort overzicht van de verschillende meer ingrijpende wijzigingen.
Zoals in ieder decennium bracht de Internationale Kamer van Koophandel (ICC) ook in 2020 nieuwe Incoterms® (editie 2020) uit. Sinds 1 januari 2020 zijn de nieuwe Incoterms®2020 van toepassing.
Vennootschappen die reeds 5 jaar lang via een deelneming van minstens 90% verbonden zijn, hebben de mogelijkheid om hun fiscaal verlies van aanslagjaar 2020 (boekjaren beginnende ten vroegste op 1 januari 2019) door te geven via de zogenaamde ‘groepsbijdrage’.
In september 2014 bedroeg de roerende voorheffing op de uitkering van reserves bij vereffening (i.e. liquidatiebonus) slechts 10%. Nadien steeg het tarief gaandeweg tot het huidige 30%. Als compensatie werden destijds enkele gunstregimes ingevoerd, zoals de zogenaamde ‘liquidatiereserve’. Deze houdt in dat kmo-vennootschappen – tegen betaling van een belasting van 10% – een liquidatiereserve kunnen aanleggen. Bij de latere vereffening van de vennootschap is de uitkering van deze liquidatiereserve vrij van belasting.
In 2018 aanvaardde de toenmalige Minister van Financiën de volledige aftrekbaarheid van kosten van een evenement, georganiseerd voor bestaande of potentiële klanten, dat hoofdzakelijk en rechtstreeks tot doel heeft de verkoop te bevorderen. Het doel van de kosten (reclame) primeert in dit geval op de aard van de kosten (onthaal). Het Hof van Cassatie is het hier echter niet mee eens.
Recent hebben de federale en regionale overheden maatregelen ter bestrijding van de coronacrisis (Covid-19 virus) uitgevaardigd. Gezien de omvang van deze crisis riskeren heel wat bedrijven in financiële moeilijkheden te geraken. Diverse steunmaatregelen moeten dienen om de economische gevolgen ervan te beperken. De voornaamste steunmaatregelen van de federale en regionale overheden worden hieronder opgesomd en toegelicht.
Vennootschappen hebben soms de mogelijkheid om een deel van hun resultaat vrij te stellen door de aanleg van een vrijgestelde reserve. Deze reserves zijn echter slechts vrijgesteld zolang de zogenaamde ‘onaantastbaarheidsvoorwaarde’ is voldaan. De reserve moet op een afzonderlijke passiefrekening van de balans worden uitgedrukt en daar behouden blijven. Van zodra deze voorwaarde niet (meer) voldaan is, wordt de vrijgestelde reserve onmiddellijk belastbaar.
Het is geen geheim dat het management van heel wat bedrijven in handen is van een andere vennootschap. Ofwel gaat het dan over de zogenaamde managementvennootschap van de bedrijfsleider (of andere leden van het hoger management), ofwel over een andere vennootschap binnen een grotere groep. Vaak wordt deze vennootschap zelfs benoemd tot bestuurder of zaakvoerder en ontvangt zij ook bestuurdersvergoedingen en/of tantièmes. Deze werkwijze is vaak fiscaal geïnspireerd, maar vereist de nodige voorzichtigheid. In 2016 lichtten we reeds de voornaamste aandachtspunten toe. Ingevolge een aantal recente evoluties achtten wij het zinvol deze te herhalen en aan te vullen.
Het parlement heeft op 28 februari 2019 het nieuw Wetboek van vennootschappen en verenigingen (afgekort ‘WVV’) goedgekeurd, dat in de plaats zal treden van het bestaande Wetboek van vennootschappen en de VZW-Wet van 27 juni 1921. In deze bijdrage zoomen we in op de belangrijkste opportuniteiten die het nieuw WVV biedt voor de familiale vermogensplanning.
Een Belgisch rijksinwoner is verplicht om in zijn Belgische aangifte in de personenbelasting zijn wereldwijd inkomen aan te geven, zelfs wanneer dit buitenlands inkomen – op basis van de internationale richtlijnen – belast is in het buitenland. Het buitenlands inkomen wordt in dat geval wel vrijgesteld van belasting in België. Echter, voor de bepaling van het belastingtarief wordt het buitenlands inkomen wel in aanmerking genomen. Dit is de zogenaamde ‘vrijstelling met progressievoorbehoud’: de buitenlandse inkomsten worden op zich vrijgesteld, maar zorgen er wel voor dat de in België belastbare inkomsten zwaarder belast worden.
Onze belastingwijzer biedt een handig overzicht van de meest voorkomende belastingtarieven.
